*

 

Gloriedagen van de Marokkanen

Paul van der Steen − 27/06/09, 00:00

Exact veertig jaar geleden wierf Nederland voor het eerst gastarbeiders in Marokko. Er gaapt een wereld van verschil tussen de gemoedelijke verhoudingen tussen de nieuwelingen en de Nederlanders van toen en de polarisatie van vandaag, blijkt uit vier onlangs verschenen boeken.

  •  (Trouw)
    (Trouw)

’Er was in die tijd geen baard of djellaba te bekennen”, schrijft PvdA-Tweede Kamerlid Khadija Arib over het moment dat ze met haar moeder vanuit Marokko overkwam naar Nederland. „Iedereen zag er modern uit. De mannen waren keurig verzorgd en droegen een pak.” En verderop in haar levensverhaal ’Couscous op zondag’: „Het geloof was nog geen kwestie halverwege de jaren zeventig. Ik heb er toen nooit iemand over horen spreken. De mannen die met mijn vader waren geëmigreerd waren traditioneel gelovig, maar er was geen druk vanuit de moskeeën. Die waren er indertijd ook nauwelijks.”

In het boek ’Marokkanen in Nederland, De pioniers vertellen’ wemelt het van de foto’s die het bewijs leveren bij Aribs beweringen. Uit het midden van de jaren zeventig, maar ook uit het decennium daarvoor. Prachtige platen van jonge avonturiers die de duizenden kilometers tussen Marokko en Nederland overbrugden, maar in feite een afstand die nog vele malen groter was. Voor de camera pronken ze, vaak met de verworvenheden van hun nieuwe welvaart. Strak in het pak of juist gekleed volgens de mode van die dagen, met wijd uitlopende soulpijpen en een indrukwekkende afrobos op het hoofd.

Ze waren met hun exotische verschijning gewild bij Nederlandse vrouwen. De bejegening op straat was allervriendelijkst, al kregen sommige nieuwkomers het idee dat ze meer attractie dan mens waren. „Overal waar ik kwam, werd mijn haar geaaid alsof ik een aap was”, herinnert een man uit de eerste lichting Marokkanen zich.

Deze groep denkt, zo blijkt uit de voor Marokkanen in Nederland gevoerde gesprekken, met dezelfde weemoed als veel allochtonen terug aan de tijd dat touwtjes nog uit de brievenbussen hingen, de flessen voor de melkboer op de stoep stonden en het briefje met de bestelling voor de bakker met gepast geld voor de deur lag. De pionierende Marokkanen van weleer prijzen ook de belangenloze hartelijkheid van de inwoners van het ontvangende land: de goede buren, maar ook de onbekenden die zomaar hielpen op straat door bijvoorbeeld een lift aan te bieden als alleen maar de weg werd gevraagd.

Misschien romantiseren ze het verleden een beetje. Toch is duidelijk dat Nederland én de Marokkaanse gastarbeiders zijn veranderd. Arib: „Van de mannen uit de kring van mijn vader die nog leven, gaat inmiddels iedereen naar de moskee. De meeste zijn ook al een of twee keer naar Mekka geweest”. In een interview met de Volkskrant vertelde schrijver Khalid Boudou hoe zijn vader hem vertelde hoe gewild hij ooit was geweest: „Het doet hem pijn als de jongeren van nu zijn generatie zien als falende generatie, als onmondige allochtonen die door fabrieken zijn misbruikt tot hun ruggen braken. Met terugwerkende kracht wordt zijn geschiedenis herschreven, wordt hij een loser. Terwijl hij dat helemaal niet was.”

Het zou wel eens een belangrijk deel van het probleem kunnen zijn. De mannen laten thuis hun gezag gelden, maar wekken geen ontzag. Bij de Nederlanders sleet de nieuwsgierigheid. De Marokkanen zelf liepen tegen teleurstellingen aan. Ze konden op tal van redenen hun eerste gloriedagen geen vervolg geven. Vaak liepen ze jaren met hun ziel onder de arm. Hun zonen ontbreekt het aan een voorbeeld. Het vermogen tot zelfreflectie is bij alle generaties weinig ontwikkeld, trots des te meer. Dat voorkomt dat er onderling gepraat wordt over problemen en levert de voedingsbodem op voor een haantjescultuur.

Onder de Marokkaanse vrouwen gaat het een stuk warmer en gezelliger toe, maakt ook Aribs ’Couscous op zondag’ duidelijk. Haar boek is een pakkend opgeschreven en intiem verslag van binnenuit van iemand uit de eerste generatie vrouwen en kinderen die werd gehaald voor gezinshereniging.

De PvdA-politica komt ook met schrijnende voorbeelden van Nederlandse naïviteit en onverschilligheid tegenover de Marokkanen. Hulpverleners die de Marokkanenbuurt simpelweg links lieten liggen. Vaders die voor hun dochters een ontheffing van de leerplicht vroegen vanaf het moment dat deze gingen menstrueren en die van de verantwoordelijke ambtenaren ook kregen. Ouders die niet naar ouderavonden en andere onderwijsactiviteiten kwamen en scholen die het daarbij lieten zitten.

Arib, aanvankelijk actief in de links-radicale Marokkaanse hoek, was tegen het Nederlandse initiatief uit 1985 om migranten stemrecht te geven. Ze zag er met haar kompanen een politieke strategie in: minderheden erkennen ging kennelijk te ver, op deze manier werden ze onderdeel gemaakt van de Nederlandse samenleving. Toen koning Hassan II zich kort daarna ook uitsprak tegen het stemrecht, riep Aribs organisatie een spoedvergadering bijeen en draaide het standpunt binnen een paar minuten honderdtachtig graden. Stemrecht was voortaan een verworvenheid van de strijd van de Marokkaanse gemeenschap. Alles beter dan vereenzelvigd kunnen worden met de monarch in Rabat.

Het is jammer dat Arib, al heel lang actief op het kruisvlak van welzijnswerk en politiek, niet op een zelfde manier verhaalt over de standpuntbepaling over integratievraagstukken in haar kringen. Niet om als een soort waarheidscommissie schuldigen te kunnen aanwijzen voor de huidige geïsoleerde positie van Marokkanen in Nederland, maar om te zien op welke plekken welke fouten werden gemaakt. Ook Aribs carrière binnen de PvdA komt er in ’Couscous op zondag’ nu wat bekaaid van af, terwijl het aardig geweest was om meer te lezen over de debatten in de sociaal-democratische gelederen voor en na 11 september 2001 en 2 november 2004.

De genuanceerde en vaardige pennen van Arib en de drie samenstelsters van ’Marokkanen in Nederland’ worden node gemist in ’Van huis uit Marokkaans, Over verweven loyaliteiten van hoogopgeleide migrantendochters’ van Marjo Buitelaar en in ’Staatssecretaris of seriecrimineel, Het smalle pad van de Marokkaan’ van Paul Andersson Toussaint. Het laatste boek focust op Amsterdam-West, waarbij de auteur, een onderzoeksjournalist, de lezer een wat al te schematische versie van de werkelijkheid voorhoudt. Alsof het gaat om een clichématige Hollywood-western met helden met witte cowboyhoeden en slechteriken met zwarte, blijft Andersson Toussaint te veel steken in een onderscheid tussen Marokkanen die stevig doorleren (en die veelal in jubeljargon worden neergezet) en kut-Marokkaantjes met ’chagrijnige haatkoppen’. De ondervindingen van de auteur en de verhalen die hij optekende, worden ogenschijnlijk zonder al te scherpe selectie achter elkaar gezet. Dat is jammer, want tussendoor komt Andersson Toussaint wel degelijk met scherpe observaties en mooie beelden (het aanmerken van het denken van de jongens van de overlast veroorzakende straatgroepen als ’een wolvenmentaliteit’).

Ook ’Van huis uit Marokkaans’ van Marjo Buitelaar kent een belangwekkende inhoud. Het concentreert zich op het continue en met grote behendigheid switchen van de maatschappelijk geslaagde Marokkaansen tussen culturen. Het gaat ook in op de moeilijkheden die dat oplevert, zoals het zich moeten verdedigen naar twee kanten (Marokkanen en Nederlanders). Maar het boek maakt tegelijkertijd erg duidelijk dat de schrijfster behalve universitair hoofddocent hedendaagse islam ook lesgeeft in methoden en technieken van sociaal-wetenschappelijk onderzoek. In plaats van in noten en in een verantwoording valt ze haar lezers te pas en te onpas lastig met de door haar gevolgde werkwijze. Voeg daarbij afschuwelijke zinnen als ’De spanning die schuilgaat achter de boodschap om alle kansen te grijpen die Nederland biedt om hogerop te komen, maar wel loyaal te blijven aan de ouders die dit mogelijk maakten, zet in levensverhalen van alle migrantendochters de motor in werking waardoor de „plot” zich ontwikkelt’ en het mag duidelijk zijn dat het lezen maar geen feest wil worden.

Het is goed dat Buitelaar onderzoek deed naar Marokkaansen met een hbo- of academische opleiding. Tegelijkertijd rijst de vraag waar de publicaties en het debat blijven over de Marokkanen uit de middengroepen. Als ze er niet of te weinig zijn, moet dat worden blootgelegd en verklaard. Wie voorstander is van integratie en verheffing zal in elk geval meer te bieden moeten hebben dan enkel de keuze tussen staatssecretaris en seriecrimineel.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />