Duitsland, dat volgende week naar de stembus gaat, telt inmiddels vier à vijf miljoen werklozen. De ’gewone man’ wordt hard getroffen, en zijn vrouw en gezin niet minder. In de nieuwe roman van Annette Pehnt, wier man zelf zijn baan kwijtraakte, neemt zo'n echtgenote het woord.
De moderne tragische held ziet er misschien wel zo uit als Joachim Rühler: een anonieme ambtenaar die een eenzame strijd voert tegen zijn chef en collega’s. Joachim, de hoofdpersoon in de korte roman van Annette Pehnt, is het slachtoffer geworden van een buitengewoon gemeen en verraderlijk wapen: mobbing: pesten op de werkvloer.
Precies en nuchter, in een ‘uitgebeende stijl’, zoals Duitse recensenten het noemden, beschrijft Pehnt hoe Jo vier jaar lang wordt getreiterd en gekleineerd. Hij wordt ontslagen, wint een eerste proces, maar staat aan het einde van de roman tussen de brokken van zijn arbeids- en gezinsleven. Er zal nog een lange rechtsgang volgen, het geld is op, en de emotionele reserves zijn opgebrand. „Dat was het dan, zei Jo. [] Als het ergste gebeurt hoef je er eindelijk niet meer bang voor te zijn.”
Wat dit boek extra betekenis geeft, is dat het perspectief niet bij Jo zelf ligt, maar bij zijn echtgenote. Het verhaal wordt consequent verteld vanuit het gezichtspunt van deze huisvrouw, die ooit vertaalster was, maar nu thuiszit met twee kleine kindertjes.
Wat Jo haar niet vertelt, komen wij ook niet aan de weet. Dat zorgt voor een beklemmend tunnelperspectief: de echtgenote begrijpt nooit precies wat er aan de hand is (en wij dus ook niet), omdat Jo het haar niet duidelijk kan of wil maken. Moet ze haar man nu op zijn woord moet geloven, hem respecteren in zijn eenzame strijd en onvoorwaardelijk loyaal zijn? Of overdrijft hij de zaken en heeft hij de ellende gedeeltelijk over zichzelf afgeroepen? „Meestal speel ik het klaar om mijn mond te houden. Waarom doe ik dat allemaal voor je, zou ik kunnen zeggen. Waarom zit je daar. Doe in vredesnaam wat. [] Wat verwacht je dan, zou hij antwoorden. Wat moet ik doen. Wat verlang jij nu ook nog van mij.”
Annette Pehnt schreef eerder al een scherpe analyse van het reilen en zeilen in een bejaardentehuis, ’Het huis van de schildpadden’. Nu ze het verval van een typische doorsneefamilie ontleedt, komt het verhaal nog dichterbij.
Dat is niet helemaal toevallig, want Pehnt maakte het zelf mee: haar man verloor zijn baan door eenzelfde vorm van pesterijen. Nu is hij huisman en verzorgt hun kinderen. Ze schreef het boek om die ervaring te verwerken. In een interview: „Ik heb geen boodschap. Ik heb het thema pesten gebruikt om mezelf te definiëren: wie ben ik en wat gebeurt er als ik alles verlies waaraan ik gehecht ben? Wat blijft er dan nog over? Of wat blijft er niet over? En wat heeft dat voor invloed op mijn relaties met anderen?”
In het geval van Jo en zijn vrouw lijkt er weinig over te blijven, ze zijn alleen nog met zichzelf en hun eigen ellende bezig.
De roman is geen zelfhulpboek.Pehnt heeft (in haar eigen woorden) een hekel aan ‘Sigmund-Freud-voor-dummies’-geleuter of aan vrouwenbladenpsychologie. Jo mag dan wel in een verbitterd en gelijkhebberig mannetje veranderen, zijn vrouw komt ook niet al te sympathiek over. Ze klaagt alleen maar en gedraagt zich als een verwend burgerprinsesje, terwijl ze zelf ook wat zou kunnen gaan doen.
Overigens neemt het moderne loopgravengevecht waar deze familie in belandt, de frontlinie van arbeids- en gezinsleven, in Duitsland ook wel heel onverzoenlijke proporties aan. Het bureaucratische systeem dat Jo vermaalt, is hiërarchischer en ambtelijker dan wij ons hier kunnen voorstellen. En het leger van vier à vijf miljoen werklozen waar Jo tussen belandt, ondermijnt de middenklasse op een schaal die ons begrip voorlopig nog te boven gaat.
Luchtige lectuur levert deze roman dan ook niet op, eerder een waarschuwing om tijdig te investeren in serieuze hobby’s, in vrienden en in een minder traditioneel rollenpatroon.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.