*

 

De wereld van schijngehakt en wonderlijke raspels

Paul van der Steen − 25/04/09, 00:00

Vegetariërs worden niet langer beschouwd als aanhangers van een ’plantenetende sekte’. Maar het was een lange weg, blijkt uit Dirk-Jan Verdonks geschiedschrijving van de vleeslozen in Nederland.

  • 'Rijst op uit ellende en dieren-wee, Een blijder tijd daagt voor een blijd're mensch levend en werkend in vree.'  'Affiche uit begin vorige eeuw.' (Trouw)
    'Rijst op uit ellende en dieren-wee, Een blijder tijd daagt voor een blijd're mensch levend en werkend in vree.' 'Affiche uit begin vorige eeuw.' (Trouw)

Het vegetarische restaurant Ponoma in Den Haag deed begin vorige eeuw goede zaken. De zaak, genoemd naar de Romeinse godin van de vruchten en de tuinen, was een goedkope en nette eetgelegenheid en de vleesloze menukaart gaf het etablissement wat chic, een exotisch vleugje artisticiteit dat ook afstraalde op de burgerman en burgervrouw die er een vorkje kwam prikken.

Niettemin bleef vegetarisme met vooroordelen omgeven. Het socialistische dagblad Het Volk hoonde dat dit soort mensen in Ponoma aten om ’tijdelijk geldgebrek te verbergen achter ethische principes’. Andere periodieken beschreven de vrouwelijke clientèle als ’gedecideerde jongedames met kortgeknipte haren’ en vrouwen ’wie het verlangen naar kiesrecht uit de oogen gloeit’.

Nog zo'n gemakkelijk doelwit voor de bevooroordeelde buitenwereld: het schijngehakt, bij Ponoma bestaande uit linzenbrij, broodkruim, gehakte peterselie, een rauw ei en fijngesnipperde en gefrituurde uitjes. Het duidde op ’vegetarische halfheid’, op het zich niet helemaal los kunnen zingen van de behoefte aan vlees.

Wat niet hielp, was dat in de vooroorlogse vegetarische keuken vlakheid en flauwheid regeerden. Niet dat de traditionele Hollandse pot het toonbeeld van avontuur vormde, maar van een alternatief mocht je toch wel iets bijzonders verwachten.

Aan de andere kant is dat misschien te veel vanuit de hedendaagse culinaire nieuwsgierigheid geredeneerd. Destijds waren zelfs de rauwkostschoteltjes al revolutionair en buitenissig. Een columnist van Het Vaderland tekende op hoe hij aan „wonderlijke raspels knaagde, die mij schier doen blaten van geitigheid”. In De Amsterdammer werd een dokter opgevoerd die adviseerde: „Houd u maar aan een warm stukje vleesch, een coteletje of een kalfsoestertje, de wereld is al rauw genoeg en als je met rauwkost begint, weet je niet waar het ophoudt, want meestal hoort naaktlopen daar ook bij.”

Het geeft nog eens aan hoezeer vegetarisme werd geassocieerd met excentriciteit of zelfs extremisme. Een vleesloos eetpatroon was iets voor theosofen, rozenkruisers, antroposofen, zevendedagsadventisten en humanisten. In de jaren dertig kwamen daar nog eens de Duitse leider Adolf Hitler en aantal andere nazi-kopstukken bij. Plots moest het vegetarisme niet alleen verdedigd worden tegen vleeseters, maar ook tegen bepaalde medevegetariërs.

Het inzicht dat een vleesloos bestaan niet per definitie gelijk stond aan een ongezond leven won in de eerste helft van de twintigste eeuw langzamerhand terrein. Dat namen velen lange tijd wél aan. „Een middagmaal zonder vlees is een huis zonder fundament”, stelde de arts Jacob Jan Pennink in 1848. Grote hoeveelheden eiwitten waren volgens de algemeen heersende opvatting cruciaal voor een zinvolle vervulling van het leven en het voortbestaan van de maatschappij.

De toekomst van een natie hing af van vlees. Niet voor niets waren de Britten als beef-eaters het sterkste volk van de wereld. Groenten en fruit waren niet geheel zonder belang, maar toch vooral in mooie vormen en fraaie kleuren verpakt water. In de ontwerp-tariefwet van 1911 werd nog voorgesteld om vanuit het buitenland geïmporteerde vruchten te belasten, omdat ze net als tabak een niet strikt noodzakelijk genotsmiddel waren.

De socialistische voorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis werd door zijn dokter een misdadiger genoemd, omdat hij zijn gezin blootstelde aan een vegetarische leefwijze. Adriaan Domela Nieuwenhuis hekelde zijn broer en noemde zijn ’vegetarische manie bespottelijk’ en ’even ongezellig als onaangenaam’. De oudejaarsavonden bij Ferdinand ging hij mijden vanwege de ’rampzaligen socialistischen vegetarischen hocus pocus’.

’Het dierloze gerecht, Een vegetarische geschiedenis van Nederland’ begint met het vegetarisme als zeer marginaal verschijnsel. De Nederlandse Vegetariërsbond moest het kort na zijnoprichting in 1894 doen met 33 leden en veertien sympathisanten. Lang bleef een vleesloos voedingspatroon in de ogen van de goegemeente iets voor ’plantenetende sekten’. Midden jaren zestig werd het aantal vegetariërs in Nederland geschat op niet meer dan tienduizend.

Dirk-Jan Verdonk, voormalig medewerker van ’Varkens in Nood’ en tegenwoordig werkzaam bij de World Society for the Protection of Animals, heeft niet gekozen voor een uitputtende geschiedschrijving van een fenomeen, waarbij geen wapenfeit onvermeld blijft. Hij houdt het bij zes case-study's. „Ze maken aanspraak op representativiteit, niet op volledigheid”, waarschuwt de auteur in zijn inleiding. Zijn aanpak levert een zeer leesbaar boek op, waarbij zijn vaardige pen een stevige hoeveelheid mentaliteitsgeschiedenis verweeft met een prettige portie anekdotiek.

’Het dierloze gerecht’ trapt af met de al genoemde vegetariër Domela Nieuwenhuis. Die interpreteerde Darwins theorie van de natuurlijke selectie in termen van vooruitgang, maar de rationeel-technologische superioriteit van de mens was voor hem niet perse gekoppeld aan sociale en morele voortreffelijkheid. Eerder het tegendeel: dieren waren geen symbolen van wat mensen niet moesten zijn, maar wat ze wel moesten zijn. „Gaat ter schole bij de dieren en wordt wijs.”

Verdonk maakt mooi de bonte verscheidenheid in vegetarische kring duidelijk als hij daar het christelijk geïnspireerde gedachtengoed van Felix Ortt en zijn ’Kolonie van Internationale Broederschap’ tegenover stelt. Daar werden andere consequenties getrokken uit het darwinisme: de hoge plaats van de mens in de pikorde verplicht tot grotere liefde, grotere verantwoordelijkheid. Waar Domela de dieren ten voorbeeld steltde en in domesticatie een vorm van corruptie van de natuur zag, waardeerden Ortt en de zijnen het in huis halen van beesten als positief. De mens kan de dierenziel naar een hogere trap van volmaaktheid brengen.

Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw won het vegetarisme terrein. Het ter discussie stellen van eetgedrag hoorde bij het algemene debat over de verdeling van rijkdom, milieuvervuiling en slaafse massaconsumptie. Vlees maakte deel uit van de gevestigde orde, was een autoriteit op zich.

Dat is – op zijn minst een beetje – veranderd. Vlees was ooit een teken van welstand, een statussymbool. Nu verorberen mensen met de laagste inkomens de grootste hoeveelheden. De keuze voor vegetarisme heeft iets chics gekregen.

Als de auteur een verwijt gemaakt mag worden bij een verder voortreffelijk boek dan is het dat hij bij de keuzes van zijn laatste cases weer erg voor de sektarische kant heeft gekozen: Lekker dier en radicalere organisaties. Terwijl de geschiedenis zo ver gevorderd is, dat vegetarisme misschien geen gemeengoed is, maar wel zijn eigen schappen heeft bij Albert Heijn en andere supermarkten. Over de achtergronden van die omslag had ik – opgeschreven met de vaardige pen van Verdonk – graag wat meer gelezen.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />