Versiering voor de kinderkamer of een verzetsdaad tijdens de holocaust? Om de schilderingen van Bruno Schulz, de ’Poolse Kafka’, is lang geruzied. Maar nu lijken ze eindelijk een plaats gevonden te hebben.
Op het oog lijken de gehavende muurschilderingen afbeeldingen van bekende sprookjes: Hans en Grietje, Sneeuwwitje, Doornroosje. Alleen doet de plaats van de tentoonstelling, het Jad Wasjemmuseum voor de holocaust in Jeruzalem, vermoeden dat er meer achter zit.
De maker is Bruno Schulz, schilder, schrijver en tekenaar. Veel van zijn werk is tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan – en wat er van zijn schrijfsels over was, bezorgde hem later de titel ’de Poolse Kafka’. Zijn muurschilderingen zijn een resultaat van die oorlog, een laatste stil protest van een kunstenaar die gedwongen werd de kinderkamer in het huis van een nazi op te vrolijken met sprookjesfiguren.
Schulz gaf zijn personages de gezichten van echte mensen: van zijn vader, van zijn minnares, van leden van de Joodse gemeenschap in het Poolse (tegenwoordig Oekraïense) Drohobicz. De nazi’s hadden Joden verboden zich met paard en wagen te laten vervoeren. Dus beeldde hij zichzelf af als trotse koetsier die twee paarden ment.
In 1941 hadden de Duitsers het stadje bezet. Ter plekke werden 900 Joden doodgeschoten; anderen werden te werk gesteld tot ook zij werden vermoord. SS-Hauptscharführer Felix Landau, verantwoordelijk voor de dwangarbeiders, onderkende de gaven van Schulz en gaf hem allerlei opdrachten, zoals het decoreren van de muren van de rijschool. Voor de komst van zijn kinderen gaf Landau hem opdracht de muren van de kinderkamer te beschilderen in de villa waar hij met zijn maîtresse woonde.
Schulz was een lichamelijk zwakke man die de dwangarbeid niet lang zou hebben overleefd. Zijn werk voor Landau betekende letterlijk uitstel van executie. Het gaf hem ook iets meer bewegingsvrijheid. Hij wist via zijn vriendin aan valse identiteitspapieren te komen en had al vergevorderde plannen om naar Warschau te vluchten, toen hij op 19 november 1942 op straat werd neergeschoten door Oberscharführer Karl Günter. Het was Günters wraak omdat Landau zijn Joodse tandarts had gedood. „Jij hebt mijn Jood gedood. Nu heb ik de jouwe gedood”, zou hij Landau hebben toegevoegd. Schulz werd nog diezelfde nacht begraven. Zijn fresco’s bleven de muren sieren, tot de kinderkamer werd omgebouwd tot keuken en de muren werden overgeschilderd.
Een Duitse filmmaker ontdekte ze in 2001. Kort daarop arriveerde ’een ploeg’ uit Israël. Ze boden de bewoners – een gepensioneerde functionaris van de communistische partij en zijn gezin – wat geld, keerden twee maanden later terug en vertrokken met stukken uitgehakte muur. Volgens een verklaring van het Jad Wasjemmuseum uit die tijd geschiedde dit alles ’in coördinatie met de lokale autoriteiten’.
„Deze woning is geprivatiseerd, het is ons bezit. We kunnen doen wat we willen”, legde indertijd Nadezjda Kaloezjnaja uit tegenover een verslaggever van de Britse Guardian. „Niemand heeft ons verteld dat het om waardevolle schilderijen ging. Het waren zelfs geen schilderijen, maar vegen op de muur.” Volgens sommige berichten waren de Oekraïense instanties op de hoogte, en mogelijk omgekocht.
De Israëlische beeldhouwer die de kunstwerken zorgvuldig uit de muur beitelde, heeft kennelijk nog altijd een spreekverbod. „Ik was maar een technisch adviseur”, zegt hij door de telefoon. „En ik kan alleen maar praten als ik daar toestemming voor krijg.” Desgevraagd laat de woordvoerster van Jad Wasjem weten dat ’hij afziet van een interview’.
Toen algemeen bekend werd dat de ’kunstwerken’ het land waren uitgesmokkeld, eiste Oekraïne de werken terug. De ruzie die daarop ontstond, raakte de wonden van de holocaust: wie had het recht op de herinnering, en dus ook op de nalatenschap van de vermoorde Joden? Jad Wasjem claimde het morele recht: Schulz was een door de nazi’s vermoorde Joodse schrijver. En waren de schilderingen niet al die tijd verwaarloosd en verborgen gebleven achter het nieuwe plaveisel, zonder dat de lokale autoriteiten enige belangstelling hadden getoond? Op de achtergrond klonk het verwijt dat diezelfde Polen en Oekraïners weinig hadden gedaan om Joden te redden, en in veel gevallen zelfs met de nazi’s hadden gecollaboreerd.
Prominente (Amerikaanse) intellectuelen noemden het Israëlische gedrag ’een belediging voor het culturele erfgoed van Oost-Europa’. Ze eisten in een brief in de New York Times dat Israël de muurschilderingen zou teruggeven. Er moest juist in Drohobicz een Bruno Schulzmuseum komen. Daarop klommen Israëlische prominenten in de pen. „De muurschilderingen”, zo stelden zij in hun open brief, „hebben universele waarde, juist vanwege de context van de holocaust.”
De Israëlische conservatrice Judith Shendar ziet in het ’overbrengen’ van de muurschilderingen nog altijd een ’reddingsactie’ die de wereld in staat stelt ook kennis te maken met Bruno Schulz als schilder, en niet alleen als schrijver. „Hij was beide. Maar het is meer dan dat. Schulz veranderde die kinderkamer in een gedenkkamer, in een monument.” Op een deel van de muur schilderde hij een bos. Geen sprookjesbos, maar, aldus de kenners, het bos waar de Joden werden vermoord. Shendar: „Zijn muurschilderingen waren een verzetsdaad. Zijn werkgever stond erom bekend dat hij om het minste geringste mensen doodschoot. Hij had ook Schulz zo neer kunnen schieten en Schultz wist dat. Schultz gebruikte zijn penseel als wapen.”
Jad Wasjem restaureerde de fresco’s, maar zag af van de geplande tentoonstelling. Zeven jaar lagen de muurschilderingen in de kelder, tot er verleden jaar een compromis werd bereikt. Oekraïne blijft de eigenaar, maar heeft een deel van de werken van Bruno Schulz voor twintig jaar in bruikleen gegeven aan museum Jad Wasjem.
Daar hangen ze nu: ’Muurschildering onder Dwang’.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.