Jan van Scorel (1495-1562) liet zich beïnvloeden door wat hij in Italië had gezien. Het Centraal Museum in Utrecht toont zijn werk.
Op weg naar Venetië in de jaren ’80 zorgde een korte tussenstop in het Karinthische Obervellach voor een ongehoorde sensatie. De niet zo opvallende Sint Martinuskerk in het dorpje binnenlopend, wachtte daar een altaarstuk dat onmiskenbaar Hollands aandeed. De maker bleek de op dat moment niet zo bekende schilder Jan van Scorel te zijn.
Scorel wordt pas de laatste decennia door kunsthistorici op de huid gezeten. Bij de ’de gewone man’ is hij al sinds de jaren ’50 geliefd vanwege het charmante jongensportret dat ooit een kinderpostzegel sierde. In de kerk van Obervellach gaat het – want het altaarstuk is er nog altijd te zien – echter om een voorstelling van de heilige Maagschap en dat is een onderwerp dat je vaker bij Scorel tegenkomt. Jan van Scorel (1495-1562) was een door en door religieuze schilder die voor een lange rij madonna’s en beeltenissen van andere heiligen heeft gezorgd. Hij maakte daarnaast een klein aantal portretten van meer wereldse figuren, het jongetje hoorde tot die laatste categorie.
Het is erg jammer dat het Oostenrijkse altaarstuk, zo zeer doordrenkt van Scorels schildersstijl, ontbreekt op de grote overzichtstentoonstelling in het Centraal Museum in Utrecht. Daar hangen zo’n zestig werken. De meeste worden toegeschreven aan Scorel zelf, maar een flink aantal zou ook door schilders in zijn naaste omgeving gemaakt kunnen zijn. Van Obervellach staat wel vast dat het hier om het vroegst bekende werk van de schilder gaat, hoogstwaarschijnlijk gemaakt in 1519 toen Scorel op doorreis naar Venetië in Oostenrijk was. Het grootste deel van de werken op deze tentoonstelling komt uit het eigen bezit van het Centraal Museum en zijn daar ook in de vaste collectie te zien.
Het schilderij van de in het Noord-Hollandse Schoorl geboren schilder in Obervellach zou wel eens een sleutelstuk voor zijn vroege werken kunnen zijn. Immers, Jan van Scorel was toen hij in Oostenrijk neerstreek, nog niet in Italië geweest. Hij was ook nauwelijks met de nieuwe kunst in dat deel van de wereld in aanraking geweest. En zijn verblijf in Rome waar hij de protegé van paus Adriaan Florisz. Boeijen (de enige Nederlandse paus in het Vaticaan) werd, heeft verregaande invloed op de Noord-Nederlandse schilderkunst gehad. In Rome, slechts korte tijd na een verblijf in het Heilig Land, werd Jan van Scorel als conservator van de pauselijke collecties de opvolger van Raphaël die hij waarschijnlijk bij de decoraties van de Stanze in het Vaticaan (de ruimtes naast de Sixtijnse kapel waar elke bezoeker van Michelangelo’s schouwspel haast nonchalant aan voorbij gaat) moet hebben aangetroffen.
Ook moet hij het werk van Michelangelo ter plekke hebben gezien. Eenmaal terug in de Lage Landen bleek hij in staat de noviteiten die Michelangelo had bedacht, in zijn eigen schilderijen te verwerken. Hoewel hij altijd religieuze thema’s bleef kiezen, nam de belangstelling voor het mensbeeld sterk toe. Ook het realiteitsgehalte werd groter: Van Scorels heiligen werden steeds levensechter. Daarnaast ontstond, ook bij Van Scorel, belangstelling voor de Schepping (lees de natuur). Bloemen, planten en kleine beestjes krijgen een duidelijke plek in de voorstelling en lopen daarmee voorop in de latere ontwikkeling van het zelfstandige (bloem)stilleven. Prachtige voorbeelden zijn te zien in de madonna’s die Van Scorel omgeeft met wilde rozen.
Bovendien beïnvloedde Van Scorel er zijn directe omgeving mee. In de 16de en 17de eeuw was dat niet uitzonderlijk: menig schilder raakte onder de bekoring van de nieuwe Italiaanse kunst en was de nieuwsgierigheid eenmaal geprikkeld, dan werd de reis al snel gepland. Het eerste deel van de vaste routes liep meestal langs de oevers van de Rijn en splitste zich dan in het zuiden van Duitsland af in een traject door Zwitserland of Oostenrijk. Maerten van Heemskerck, Scorels bekendste leerling, heeft bijvoorbeeld werk achtergelaten in Alto Adige (Noord-Italië).
Wat nu ’Scorels omgeving’ wordt genoemd, bestond uit de werkplaats annex atelier die hij na zijn terugkeer uit Rome eerst in Haarlem en vrij kort daarna ook in Utrecht stichtte. In Haarlem werkte hij nauw samen met Anthonie Mor die de eer te beurt viel om een portret van zijn collega te maken. Dat hangt nu pront bij de entree tot de expositie in de Domstad. Maar ook in Utrecht, waar Scorel inmiddels als kanunnik van het kapittel van Sint Marie (hetzelfde klooster waar fameuze verluchte manuscripten waren vervaardigd) was aangesteld, verzamelde hij een groot aantal schilders om zich heen. Omdat er in zo’n werkplaats nauw werd samengewerkt bij de vervaardiging van complexe altaarstukken, is niet altijd goed te zien waar Scorel aan heeft gewerkt en waar bijvoorbeeld Lambert Sustrig of Herman Postma of Jan Swart van Groningen of Jan Vermeyen mee bezig waren. Nauwe samenwerking stond bij Van Scorel hoog aangeschreven. Dat had tot gevolg dat veel werk wordt toegeschreven aan Maerten van Heemskerck of aan Jacob van Oostsanen bij wie hij in zijn leertijd werkte.
De tentoonstelling in het Centraal Museum is in een tijd dat het onderzoek naar Jan van Scorel, maar ook naar Jacob van Oostsanen en Maerten van Heemskerck volop in ontwikkeling is. Vanuit een wetenschappelijke benadering, maar ook vanuit het grote publiek bezien is het jammer dat de samenstellers van dit overzicht hun kennis en inzichten uitsluitend in een reeks van wandteksten konden weergeven. Kennelijk zijn er geen middelen gevonden om een deugdelijke catalogus te maken. Wie daarom vraagt, wordt aan de kassa verwezen naar een antiquarische uitgave waarin de Madonna’s worden uitgelicht (en in akelige kleuren worden weergegeven). Gezien het feit dat het voorwoord is ondertekend door de eervorige directeur Sjarel Ex, kan deze informatie wel eens achterhaald zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.