*

 

Schurkenstreken worden beloond

Ger Leppers − 11/04/09, 00:00

’Roofdieren’ brengt de woelige geschiedenis van Angola in beeld, waar de schrijver zelf middenin stond. Pepetela vertelt met vaart en weet hoe hij de spanning erin houdt.

  • (Trouw)

Op het moment dat de lezer omslaat van de eerste naar de tweede bladzijde, vallen de eerste twee doden in de roman ’Roofdieren’ van de Angolese schrijver Pepetela. Het centrale personage, de louche zakenman Vladimiro Caposso, vermoordt met goedgerichte revolverschoten zijn minnares en de man met wie zij hem bedriegt. Want deze Vladimiro is een doener die niet over zich laat lopen, een aartsmaterialist.

Gaandeweg begint de lezer overigens sterk te vermoeden dat de auteur veel plezier heeft beleefd aan de beschrijvingen van Vladimiro’s gewetenloze carrière en zijn gewiekste schurkenstreken. Zelf heeft Pepetela – die eigenlijk Artur Carlos Maurício Pestano dos Santos heet – dan ook evenmin een braaf leven geleid, al stond het wel steeds in dienst van een goede zaak.

Hij werd in 1941 geboren in Angola, dat toen nog een Portugese kolonie was, als telg van een kolonistenfamilie. In de jaren zestig sloot hij zich, onder de nom de guerre ’Pepetela’, aan bij de Volksbeweging voor de Bevrijding van Angola, die steun ontving uit Cuba. Hij nam toen onder meer deel aan militaire operaties in het oosten van het land.

Na de onafhankelijkheid van Angola, in 1975, was Pepetela een aantal jaren staatssecretaris van onderwijs. Tegenwoordig wijdt hij zich aan zijn docentschap in de sociologie aan de universiteit van Luanda en aan het schrijven, waarbij hij zijn nom de guerre voortaan gebruikt als nom de plume. Successen bleven niet uit: in 1997 werd hij bekroond met de belangrijkste literaire prijs van het Portugese taalgebied, de Prémio Camões, en in 1999 ontving hij in Nederland de Prins Clausprijs.

Eerder verscheen bij ons ook al een mooie vertaling van zijn lijvige historische roman ’Een roemrijke familie’. Zoals gezegd: ’Roofdieren’ begint overrompelend, en Pepetela weet gedurende ruim vierhonderd bladzijden probleemloos de vaart in zijn verhaal te houden.

Een middel dat hij daarvoor met vaardige hand gebruikt, is de sprong in de tijd. Als een vlo springt de lezer heen en weer over de tijdsbalk: nu eens bevinden wij ons in het jaar 1992, dan weer schrijven wij 1975, enkele tientallen bladzijden verder is het 2003.

Die tijdssprongen zijn geen schrijverskoketterie. De geschiedenis van Angola was in de beschreven periode uiterst roerig, de onafhankelijkheidsstrijd werd gevolgd door zelfstandigheid, de autonomie door een burgeroorlog, die burgeroorlog uiteindelijk door een gewapende, onzekere vrede.

Juist die sprongen in zijn verhaal bieden Pepetela een goede gelegenheid om de overlevingsdrang en het fabuleuze aanpassingsvermogen van Vladimiro Caposso, maar ook van de vele andere personages, goed uit de verf te laten komen, en de gelegenheidsredeneringen weer te geven waarmee Caposso zijn zelfverrijking en de bevoordeling van zijn familie rechtvaardigt.

Maar de kinderen die Caposso krijgt, stellen hem teleur. Een dochter wil in Parijs – o, gruwel – iets op het gebied van kunst studeren, een van zijn zoons rijdt een bedelaar dood terwijl hij niet in het bezit is van een rijbewijs. Als Caposso er eenmaal in geslaagd is boven zijn stand te trouwen, verliest hij al snel de belangstelling voor zijn vrouw.

Het zijn, in postkoloniaal Angola zo goed als elders, de opportunisten die zich verrijken, eerst als aanhangers van het egalitair-gezinde marxisme en vervolgens, eenmaal aan de macht, als ministers, gezeten burgers en zakenlui. En altijd zijn het de idealisten die het gelag betalen – zoals Caposso’s jeugdvriend Sebastião Lopes, die zijn trouw aan de ideeën van de revolutie met armoede moet bekopen.

Verrassend is die boodschap natuurlijk niet, maar de schrijver brengt haar meeslepend, als een ouderwets verteller die weet hoe hij zijn publiek in spanning moet houden. Hij heeft een goed gevoel voor sfeer en drama, en bovendien kruidt hij zijn relaas veelvuldig met een prettige ironie, zoals wanneer hij over de roddelpraktijken van de buuf berustend opmerkt: „Het woord van een buurvrouw bevat meer waarheid dan een bijbelvers.”

De auteur stond in de beschreven jaren overal met zijn neus bovenop, en dat helpt. Het geeft aan zijn beschrijving van het kleine en grote opportunisme, de ambities, teloorgegane idealen en levensdrang een toon van onmiskenbare waarachtigheid. Wie wil weten hoe het is om er te leven, daar in Angola, die heeft aan Pepetela een goede gids.

mailIcon print |