*

 

Relatiegeëmmer op de vierkante millimeter

Jann Ruyters − 09/05/09, 00:00

Minke Douwesz schreef een razend knappe scheidingsroman, met op de achtergrond opkomst en ondergang van Pim Fortuyn. Voskuil voor meisjes, vindt Jann Ruyters.

’Het kan deze keer wel ietsje korter’, zal de redacteur van Uitgeverij Van Oorschot tegen Minke Douwesz (1962) gezegd hebben.

Douwesz debuteerde in 2003 met ’Strikt’, een roman van ruim achthonderd bladzijdes. Over die omvang werd wat geklaagd door recensenten die vonden dat Douwesz wel erg veel kwijt wilde over het leven van lesbisch psychiater Idske, namelijk niet alleen alles over haar pogingen de heteroseksuele celliste Judith te veroveren, maar ook alles over de films die ze ziet en de sokken die ze draagt.

’Strikt’ was een roman in de traditie van Han Voskuil en Frida Vogels, maar dan meer geworteld in het heden en het verhaal speelde in andere kringen: de lesbische subcultuur in de provincie. Ook psychiater Idske was, net als haar beroemdere voorgangers, van het tobberige, wereldvreemde, en (de titel zegt het al) strikte soort. Maar haar gedetailleerde omzwervingen door dat moeizame, onkenbare ’zelf’ hadden ook een hoge mate van herkenbaarheid. Het leverde Douwesz in eigen kring in ieder geval veel fans op. ’Strikt’ beleefde ondanks de wat zuinige recensies vijf herdrukken.

En nu komt de schrijfster dan met de langverwachte opvolger: het iets beknoptere ’Weg’, ’slechts’ 575 bladzijdes lang. Een verhaal in dezelfde kringen, met bijna dezelfde hoofdpersoon, maar wel over een heel andere periode in het leven. Na een roman over het begin van een liefde, schrijft Douwesz nu over het einde: de scheiding. En wat voor een scheiding!

’Weg’ speelt zich af tussen april en juli 2002; de opkomst en ondergang van Fortuyn klinkt op de achtergrond mee. Veertiger Edith Heringa werkt als gynaecologe en schrijft aan een proefschrift over de psychoseksuele problematiek van anorexiapatiëntes. Ze denkt dat ze zowat klaar is, maar dan wil haar promotor ineens dat ze ook nog wat over anorexia bij jongens zegt.

Wat die extra opdracht er niet makkelijker op maakt, is dat het thuis ook al helemaal niet goed gaat. Een paar jaar terug heeft ze zich met vriendin Norma teruggetrokken op het platteland waar ze naast een huis ’in permanente overgangsfase’ ook nog twee ezels houden, een hond, twee poezen, een moestuin en een rozenperk.

Wat drie jaar terug romantisch leek, is verworden tot een verstikkende gevangenis. Vriendin Norma heeft zich ontpopt als een mensenschuwe, controlerende, moralistische milieufreak, met een verslaving aan wijn en een hang naar televisie. Vanwege opklimmende migraineaanvallen heeft Norma bovendien haar werk eraan gegeven en aan verbouwen komt ze ook niet toe. Wel voorziet ze Ediths ijverige inspanningen aan haar proefschrift van negatief (jaloers?) commentaar- tenminste tot het Edith na ongeveer 150 bladzijden van het ene moment op het andere te veel wordt en ze haar het huis uitzet.

Dat blijkt dan makkelijker gezegd dan gedaan want Norma laat zich niet ’als een vuilniszak aan de kant van de weg zetten’. Weken van dronken ruzies, haatdragende woordenwisselingen en huilerig zelfmedelijden volgen.

Ondertussen gaat het gewone leven ook gewoon door. Bij de buren brandt de kippenhouderij af, Edith sluit vriendschap met de mooie bibliothecaresse op haar werk, en in Hilversum wordt Fortuyn vermoord. Net als in het echt raken die gebeurtenissen ergens onderhuids aan het grote drama van de scheiding en vice versa. Ediths wisselende conclusies over zelfgenoegzaamheid, onmacht dan wel zelfbedrog van de anorexiapatiëntes komen direct voort uit wat ze bedenkt over haar relatie. De moord op Fortuyn versterkt de angst om de brand op de kippenhouderij en de verschrikkelijke Norma begint op den duur steeds meer trekjes van Volkert van der G. te krijgen.

Het is razend knap hoe deze schrijfster Ediths wisselende stemmingen en impulsen weet te vangen. Je vertoeft in Ediths hoofd zoals je in je eigen hoofd vertoeft. Je zwenkt als vanzelfsprekend mee met haar gepieker zonder dat het saai of claustrofobisch wordt.

In deze fascinerende scheidingsroman wordt bovendien op hoog niveau geruzied. Niet dat het fraaie zinnen of diepere inzichten oplevert, integendeel. Douwesz drukt de vinger op weerzin en walging, op zelfbedrog en zelfmedelijden, op verstikkende symbiose en verlammende afhankelijkheid.

Voskuil voor meisjes, biedt ’Weg’. Relatiegeëmmer op de vierkante millimeter dat een groot lezerspubliek verdient.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />