*

 

Aanvankelijk heeft de auteur het goed met zichzelf getroffen

Ger Leppers − 09/05/09, 00:00

Het nieuwste boek van Emmanuel Carrère – pakkend en trefzeker geschreven – behoort tot het genre van de ’autofiction’. De roman draait om de persoon van de schrijver. In zijn zelfbeeld komen allengs barsten.

  • Langs het Russische stadje Kotelnitsj loopt de Transsiberië Express. (FOTO HOLLANDSE HOOGTE)

Ook in Frankrijk stellen de recensenten in december hun eindejaarslijstjes op. In 2007 gooide ’Een Russische roman’ van de vijftigjarige Emmanuel Carrère op enkele daarvan hoge ogen. Terecht, want het is een pakkend en trefzeker geschreven boek.

Het behoort tot het genre dat in Frankrijk sinds de jaren zeventig met de term ’autofiction’ wordt aangeduid - ter onderscheiding van echte autobiografische geschriften. De vraag waarin het verschil dan wel precies zit, valt niet altijd makkelijk te beantwoorden, en gaf inmiddels aanleiding tot vele literatuurtheoretische beschouwingen en congressen. Het beroemde jaarlijkse Colloque van Cérisy was er in 2008 aan gewijd.

(Te) kort gezegd komt het hierop neer: tot de ’autofiction’ behoren boeken die weliswaar sterk op het leven van de schrijver zijn gebaseerd, maar waarin de auteur zich ter wille van het verhaal vrijheden veroorlooft ten opzichte van de historische werkelijkheid. Zo mag hij sommige personages laten samenvallen, of het tijdsverloop rekken of bekorten. Bij ons kun je denken aan sommige boeken van Geerten Meijsing of Connie Palmen.

Met de autofiction is het evenwel als met de zwaartekracht. Die bestond ook ruimschoots voordat Isaac Newton de wet erop formuleerde. Du Perron, Marcel Proust en James Joyce schreven autofiction tientallen jaren voordat de Franse literatuurcriticus Serge Doubrovsky de term muntte en er een theorie over formuleerde.

Maar het moet gezegd: een hoge vlucht heeft het genre pas genomen in de laatste tientallen jaren. Sedert het uitbreken van het ik-tijdperk, zeggen boze tongen. Anderen wijzen erop dat het moderne leven zo rijk en ingewikkeld is, dat het voor een schrijver moeilijk is om een panoramisch beeld van de wereld te geven zoals Balzac, Dickens, Tolstoi of Couperus dat deden. Logisch dus dat hij zich beperkt tot het gedeelte van het bestaan dat binnen zijn blikveld ligt.

Omdat we in ons deel van de wereld al tientallen jaren in vrede leven, ligt het bovendien voor de hand dat de erotiek, als voornaamste menselijk avontuur dat ons dan nog rest, in dergelijke boeken een vooraanstaande plaats inneemt.

Christine Angot geldt momenteel als de meest op de voorgrond tredende producente van autofiction in Frankrijk. Maar zelf – daar heb je het gedonder in de glazen–- beschouwt ze haar boeken niet als autofiction. Misschien – dat wil ik wel toegeven - is het ook juister om in haar geval te spreken van ’egofiction’, zozeer blijven haar boeken beperkt tot eigen belevenissen en emoties. Na haar doorbraak met ’L’Inceste’ in 1999 schreef ze een reeks romans met een gestaag afnemend soortelijk gewicht, die vorig jaar uitmondde in ’Le marché des amants’. Daarin beschreef ze haar relatie met de rapper ’Doc Gynéco’ op een wijze die deed vermoeden dat het dicteerapparaat gedurende de hele liaison op haar nachtkastje stond.

Interessanter is de schrijfster Annie Ernaux, die in haar boeken een sociologisch portret geeft van het eenvoudige milieu waaruit zij voortkomt, en van de klassieke wijze om daaraan te ontsnappen: via het onderwijs.

Het boek van Carrère is diens eerste proeve in het genre van de autofiction. Ook hier draait alles om de persoon van de schrijver, die het aanvankelijk erg goed met zichzelf getroffen heeft. Maar de onopgesmukte beschrijving van de manier waarop barsten ontstaan in dit zelfbeeld, en de aandacht voor het leven in het Russische stadje dat hij ten behoeve van een documentairefilm een paar keer bezoekt, geven het boek een duidelijke meerwaarde.

De erotiek krijgt ook bij Carrère het volle pond. Als gescheiden vader begint hij een relatie met een jongere vrouw uit een eenvoudig milieu. Het onbegrip en de misverstanden die uit dit standsverschil voortkomen, geraken tot een climax wanneer Carrère speciaal voor deze Sophie in de weekeindbijlage van Le Monde een erotisch verhaal publiceert. Overigens, zo erotisch is het niet eens, eerder is het een nogal opdringerige practical joke, die voor de relatie faliekant uitpakt, omdat het egocentrisme van Carrère er genadeloos door wordt blootgelegd. Wat overigens niet wegneemt dat ik er uitbundig om heb geschaterd.

Sterker in zijn medemens geïnteresseerd toont Carrère zich tijdens zijn bezoeken aan het Russische stadje Kotelnitsj, een in ijs en sneeuw verstarde negorij met een druk spoorwegknooppunt waar bijna geen trein stilhoudt. De eerste keer reist hij er heen voor een reportage over een Hongaar die er jaren ten onrechte in een psychiatrische kliniek verbleef. Later raakt hij geboeid door de fauna van het stadje. Carrère's beschrijvingen van het doelloze, met grote en kleine rampen en wodka gevulde bestaan daar, zijn meeslepend.

Een derde draad in het boek is Carrère's hommage aan zijn Georgische grootvader, die in het leven niet bereikte waarvoor hij in de wieg dacht te zijn gelegd. Uiteindelijk, nadat hij in de oorlog in Bordeaux hand- en spandiensten voor de Duitsers had verricht, werd hij door het verzet opgehaald en verdween hij voorgoed. Carrere's moeder had dit deel van de familiekroniek altijd krachtdadig onder het tapijt geschoffeld. Door deze grootvader in de mate van het mogelijke recht te doen, maakt Carrère zijn eigen leven als het ware weer compleet.

Dankzij Carrère's grote schrijftalent worden deze drie heterogene verhaallijnen tot een meeslepende eenheid. En dankzij de vertaling van Marianne Kaas leest de Nederlandse tekst als één van die treinen die dag en nacht ratelend aan het desolate stadje Kotelnitsj voorbijrijden.

mailIcon print |