In 1937 begon het Sovjetregiem met de executie van talloze arbeiders, boeren en intellectuelen. Karl Schlögel beschrijft het dagelijkse leven in Moskou tegen de achtergrond van deze ’Grote Terreur’.
Op 20 december 1937 bestond de Russische binnenlandse veiligheidsdienst NKVD twintig jaar. Het heuglijke feit werd gevierd met een groot festijn in een theater dat over de hele wereld beroemd was als de tempel van de Russische cultuur, het Bolshoi. Er werd getoast en gespeecht. Niet door de grote leider, Jozef Stalin, zelf, helaas, maar wel door een van zijn trouwste trawanten, Anastas Mikojan. Deze prees zijn toehoorders voor het voortreffelijk werk dat ze verricht hadden ter verdediging van de Revolutie en bond ze op het hart dit voort te zetten.
En het ging ook door. De bewakers van de revolutie hadden hun ‘voortreffelijke werk’ alleen onderbroken voor de feestelijkheden. Een dag eerder hadden ze nog 154 mensen in Moskou geëxecuteerd en twee dagen later, toen de kater was uitgezweet, werd de draad weer opgenomen: 62 doden. Wat de feestvierders toen nog niet wisten, maar velen ongetwijfeld vreesden, was dat een groot aantal van hen het volgende jubileum niet zou halen. De Terreur verslond ook haar eigen uitvoerders.
De Grote Terreur van 1937 is een van de verschrikkelijkste en tegelijkertijd meest bizarre tragedies uit de van bizarre en verschrikkelijke tragedies doortrokken geschiedenis van de Sovjet-Unie. Honderdduizenden mensen werden verzwolgen door een tsunami van collectieve hysterie, paranoia en razernij.
Het spectaculairste aspect van de Terreur waren de grote showprocessen waarbij partijbonzen, generaals en andere kopstukken werden ‘weggezuiverd’. Ze zouden zich schuldig gemaakt hebben aan sabotage en spionage voor het nationaal-socialistische Duitsland en het imperialistische Japan. Elk bewijs ontbrak, de beschuldigingen waren zo absurd en zo overduidelijk gefingeerd dat sommige waarnemers paradoxaal genoeg aannamen dat ze wel waar moesten zijn. Hadden de ‘daders’ bovendien niet zelf vrijwel zonder uitzondering ‘bekend’?
Je zou kunnen zeggen dat tenminste een aantal Vips een koekje van eigen deeg kregen. Niet zelden hadden ze zelf deelgenomen aan eerdere excessen of deze in elk geval gelegitimeerd. Maar de Terreur trof niet alleen de partijelite. Het waren vooral onschuldige arbeiders, boeren, intellectuelen, analfabeten, mannen en vrouwen, bejaarden en kinderen die werden vermoord.
Veel van deze verschrikkingen was al voor de val van de Sovjet-Unie in 1991 in het westen bekend. Maar met de opening van de Russische archieven konden wetenschappers de vertakkingen van de terreur verder onderzoeken. Dat heeft baanbrekende en controversiële studies opgeleverd, zoals het door Franse onderzoekers uitgegeven ‘Zwartboek van het Communisme’– dat overigens niet alleen de Sovjet-Unie behandelde. Maar een boek dat, voor zover zoiets mogelijk zou zijn, de Terreur in zijn sociale context, ingebed in het dagelijks leven, behandelt, bestond nog niet. De Duitse historicus Karl Schlögel heeft dat nu met zijn ‘Terror und Traum. Moskau 1937’ geschreven.
‘Terror und Traum’ heeft geen overkoepelende stelling, geen centraal thema, geen conclusie. Het is een mozaïek, een verzameling fragmenten over het leven in Moskou met de Terreur als macabere achtergrondmuziek. Het is de enige manier om een goed beeld te krijgen van wat zich toen afspeelde, zegt Schlögel. Te vaak wordt de Terreur geïsoleerd van de omringende werkelijkheid, waardoor het risico van een ‘tunnelblik’ ontstaat. In vaak korte hoofdstukken schetst Schlögel aan de hand van dagboeken van bekende en onbekende personen, kranten- en tijdschriftenartikelen, de Moskou’er Almanak, de film –en muziekscene, wetenschappelijke congressen, wat er rond 1937 nog meer gebeurde.
Het was het jaar waarin behalve de oktoberrevolutie van 1917, de nationale dichter Poesjkin werd herdacht, een volkstelling werd gehouden, Sovjetpiloten het ene record na het andere braken, het land deelnam aan de Wereldtentoonstelling in Parijs, en werd begonnen met de bouw van wat het meest imposante gebouw ter wereld, het bewijs in staal en beton van de superioriteit van het Sovjetsysteem, moest worden, het Paleis van de Sovjets. En er werd er ondanks alles ook nog gedroomd van een betere wereld.
In de loop van ’Terror und Traum’ tekent zich ondanks het ontbreken van een expliciete rode draad toch steeds duidelijker een basismotief af. Het is de relatie tussen de Terreur en de verkiezingen voor de Opperste Sovjet, het parlement, in december ‘37.
Deze verkiezingen zouden overeenkomstig de ‘meest democratische grondwet ter wereld’ van 1936 ‘vrij’ zijn. Iedereen, ongeacht afkomst of partijlidmaatschap, kon zich kandidaat stellen en zijn stem uitbrengen. Schlögel gaat er van uit dat de partijleiding zo wereldvreemd was dat ze dit inderdaad meende. Ondanks rampen als de hongersnood van 1932/33, het resultaat van de collectivisatie van de landbouw, dacht het regiem dat vrije verkiezingen het in zijn macht zouden bevestigen. Pas toen uit de provincie berichten binnenkwamen over onvrede en woede onder de kiezers, besloot het van dit voornemen af te zien. De angst voor een ‘binnenlandse vijand’ maakte altijd al deel uit van de psychopathologie van de Sovjetleiders - vandaar de showprocessen - en dit ontlaadde zich nu in een ‘oorlog tegen het eigen volk’.
Er werden voor 64 regio’s lijsten opgesteld met quota voor executies: vijfduizend in Moskou; vierduizend in Sverdlovsk etc, en veroordelingen tot verblijf in straf- en werkkampen: dertigduizend in Moskou, zesduizend in Sverdlovsk. In Moskou werden de ter dood veroordeelden op een plek aan de rand van de stad, Butowo, met een nekschot vermoord. Voor de executeurs stond een emmer wodka klaar.
Hoe diep de angst voor de eigen onderdanen zat, blijkt zelfs zestig jaar later nog uit de woorden van een van Stalins belangrijkste handlangers, oud-minister van buitenlandse zaken Molotov. De Terreur was gerechtvaardigd. Daardoor had ‘de vijfde colonne’ (verraders) geen kans gehad. (Molotov was zo bang voor Stalin dat hij niet ingreep toen zijn eigen vrouw gearresteerd en gevangen werd gezet).
Eind 1938 was de Terreur uitgewoed. Maar het betekende voor de bevolking nog niet dat er een einde gekomen was aan haar beproevingen. Hoe verschrikkelijk de afgelopen jaren ook waren geweest, het bleek nog veel erger te kunnen. In juni 1941 vielen de Duitsers Rusland binnen. Door de zuiveringen was het leger totaal onvoorbereid op de invasie en de bevolking moest opnieuw de tol betalen. Naar schatting kostte de ’Grote Vaderlandse Oorlog’ 27 miljoen mensen het leven. De Terreur was nog maar het voorspel tot deze slachting.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.