Als er iets historisch was aan de ZaterdagMatinee van het afgelopen weekend, dan was het niet dat die al om elf uur in de ochtend begon, maar dat we in Nederland eindelijk Robert Holl in zijn absolute toprol konden horen.
De Nederlandse bas zong de rol van Hans Sachs in Wagners ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ jaren achtereen tijdens de Bayreuther Festspiele en oogstte daarmee veel lof. Een tjokvolle zaal beloonde Holl om kwart voor vijf voor zijn grootse interpretatie met donderende ovaties.
Merkwaardig dat een zanger als Holl, die internationaal zo gelauwerd is en die al in 1971 het Internationale Vocalisten Concours in Den Bosch won, hier nog nooit in een geënsceneerde opera heeft opgetreden. Het was daarom een daad van allure van de Matinee (waar Holl overigens al vaker met succes optrad) om hem de rol van Sachs aan te bieden – een Nederlandse meesterzanger in de rol van zijn leven.
De uitvoering van ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ (1868) was een vervolg op de succesvolle ‘Lohengrin’-matinee van een jaar geleden. Die ‘Lohengrin’ was het Wagner-debuut van dirigent Jaap van Zweden. Zaterdag stapte hij weer een sport hoger op de Wagner-ladder, al leek het daar in eerste instantie niet op. Na die sublieme ‘Lohengrin’ waren de verwachtingen natuurlijk extreem hoog gespannen. Niet verwonderlijk dat er al weken geen kaarten meer te krijgen waren.
Van Zwedens ‘Meistersinger’-ouverture had niet het niveau van die in ‘Lohengrin’. Een jaar geleden was er direct die glans en straling in het Radio Filharmonisch Orkest, nu lag er een zekere dofheid in de klank (te hard dreunende pauken) en was het geheel dynamisch gezien weinig gedifferentieerd. En hoewel het niveau allengs verbeterde (de eerste scènes zijn niet Wagners sterkste), kwam er toch pas aan het begin van de derde akte dat gevoel dat je bij iets heel groots aanwezig was. Maar toen stonden de sluizen dan ook wel machtig open.
Het voorspel tot de derde akte had een geniale opbouw in klank en tempo. Vrij snel daarna komt de ‘Wahn’-monoloog van Sachs en die mondde door de symbiotische samenwerking tussen Holl en Van Zweden uit in het hoogtepunt van de lange matinee. Hier kon Holl al zijn wijsheid, zijn ervaring en zijn vocale autoriteit in Wagners tekst en noten leggen, en hier bewees hij andermaal dat hij tot de allergrootste interpreten van deze rol moet worden gerekend.
De heimelijke opkomst van Sixtus Beckmesser daarna werd magistraal door Van Zweden en het orkest ondersteund met al die muzikale reminiscenties aan de ‘Prügel’-scène aan het slot van de tweede akte. In de rol van deze droogstoppelige pennenlikker was Eike Wilm Schulte perfect gecast. In ‘Lohengrin’ zat hij als Telramund nog vastgelijmd aan de partituur, maar hier kwam Schulte heerlijk los van de noten en was hij niet alleen uitmuntend vocaal, maar ook theatraal aanwezig.
Ideale bezettingen ook in de andere rollen. Barbara Haveman kon zich na haar invalbeurt bij DNO in ‘Tannhüuser’ eindelijk volwaardig als operazangeres in Nederland presenteren en ze overtuigde in de ondankbare rol van Eva volledig. Burkhard Fritz zong als de jonge Walther een fantastisch prijslied, en was onvermoeibaar vocaal aanwezig. De heerlijke David van Rainer Trost en de welluidende Magdalene van Elizabeth Bishop pasten in dat niveau. Ain Anger (Pogner) en Werner van Mechelen (Kothner) voerden de overige Meistersinger met allure aan. Het volk van Nürnberg vond in het Groot Omroepkoor een machtig geluid. Op naar de volgende Wagner van Van Zweden? Hij verdient het.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.