Het is lastig repertoire, de romantische opera uit de vroege negentiende eeuw. De tijd waarin het in de Italiaanse opera ging om de labiele psyche van de prima donna, die al dan niet waanzinnig de laatste scène voor zich opeist, en daarmee de hele opera. ’Moderne’ operahuizen houden zich het liefst ver van deze diva-vehikels, ’ouderwetse’ operaliefhebbers kun je er geen groter plezier mee doen.
De Nederlandse Opera probeerde woensdagavond nieuw leven in Bellini’s laatste opera ’I puritani’ te blazen, maar kwam daarvoor absoluut adem tekort. En het lijkt zo makkelijk: je zorgt ervoor dat je de best denkbare sopraan voor dit repertoire engageert en plooit om haar heen de rest. Maar nee, in deze tijden wordt juist op zangers beknibbeld omdat er al zo veel geld opgaat aan het ’vernieuwende’ regieteam.
Het resultaat van deze werkwijze is dat deze ’Puritani’-enscenering in haar eigen onnadrukkelijke en vrijblijvende onnodigheid verdronk en dat de prima donna eigenlijk een dubieuze seconda donna was met stembanden absoluut ongeschikt om dit belcantodrama te schragen.
Afgezien van de uitstekende tenor John Osborn, nota bene een late vervanging voor Eric Cutler, stond de enige belcantozanger niet op de bühne, maar in de bak van het Muziektheater: dirigent Giuliano Carella. Deze Italiaanse specialist leidde het helder en zuiver spelende Nederlands Philharmonisch Orkest weergaloos door de kritische editie van de oorspronkelijke partituur uit 1835. Dat betekende onder andere aan extra muziek een totaal onbekend terzet in de eerste akte en een flink uitgebreid duet in de derde, dat overigens vaker te horen is.
Los van deze musicologische opknapbeurt was het een verademing om te luisteren naar wat Carella aan fijnzinnige detaillering naar boven toverde. Vooral in de finale van de lange eerste akte, als Elvira voor de eerste keer aan waanzin ten prooi valt, verrichtte Carella wondertjes.
Sopraan Mariola Cantarero bleef in die muzikale topscène ernstig in gebreke. Haar stem valt weinig prettig in de oren, is scherp en nasaal, soms irritant kinderlijk zelfs, en van een elegante of opwindende frasering heeft deze Spaanse geen kaas gegeten. Om nog maar te zwijgen over haar volslagen ontoereikende, krampachtig gezongen hoge noten. En het is juist in de hoogte dat deze wonderbaarlijke muziek vleugels moet krijgen, als vanzelf moet gaan zweven. Maar Bellini bleef als een houten klaas met beide benen op de grond.
Het knullige verhaal over Elvira, die in bruidsjapon door haar geliefde verlaten wordt, omdat hij de weduwe van de onthoofde Karel I in veiligheid wil brengen, speelt in het puriteinse Engeland van Cromwell. Regisseur Francisco Negrin ziet alle partijen in deze burgeroorlog als verblind door religie en laat daarom het ingenieus schuivende decor vol braillepuntjes zetten. Ook op het programmaboek staat ’I puritani’ in brailleschrift. Maar het blijft een loos beeld omdat Negrin er niets theatraal-dwingends mee doet. Als Arturo en Elvira zingen worden echte woorden in het decor geprojecteerd: zij zijn niet blind. Het is een ideetje, slecht uitgewerkt.
Negrin had moeite met het happy end, en liet het maar in de zoveelste waan van Elvira afspelen. Arturo wordt hier dus gewoon door Riccardo (een wisselvallige Scott Hendricks) neergeknald. In de vorige ’I puritani’ van DNO (in 1984 met Cristina Deutekom – aah, Deutekom!) liet Arturo gek genoeg ook al het leven, maar toen pas ná dat hij het jubelende slotduet met Elvira had gezongen. Nu moest de arme Osborn daarin indruk proberen te maken achter een neergelaten voordoek.
Nee, het is beslist een moeilijk genre, die belcanto-opera. DNO gelooft er vooralsnog niet echt in.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.