*

 

Doodstil luisteren naar De Leeuw in de ’late’ Liszt

Christo Lelie − 09/01/09, 00:00

Reinbert de Leeuw, piano. 7/1 Muziekgebouw aan ’ t IJ, Amsterdam.

Werd Franz Liszt bejubeld als pianist, als componist heeft hij het zijn levenlang uiterst moeilijk gehad. Vanaf zijn vroegste werken was zijn muziekstijl zo vooruitstrevend, dat zijn tijdgenoten er weinig van begrepen. Dat geldt nog meer voor de werken uit de late levensjaren van Liszt. Ontdaan van alle virtuositeit, wijst deze sobere, soms atonale, duistere muziek al ver de twintigste eeuw in. Liszt hield deze stukken bij zich, omdat hij wist dat zelfs zijn trouwste leerlingen en vrienden deze modernistische werken als producten van een mentaal aftakelende bejaarde zouden bestempelen.

Pas in de loop van de 20ste eeuw werden de manuscripten van de ’late’ Liszt herontdekt, uitgegeven en gespeeld. Pionier op dit terrein was Reinbert de Leeuw. Gespecialiseerd in hedendaagse muziek bracht hij als pianist en dirigent de werken uit Liszts laatste scheppingsperiode in concerten, op de plaat en in een tv-documentaire onder de aandacht van het publiek. Hij toonde met zijn doorgaans extreem langzame en verstilde uitvoeringen hoe Liszt vooruitliep op de klankwereld van Schönberg, Bartók en Debussy.

Nu Reinbert de Leeuw als zeventigjarige in dezelfde levensfase zit als Liszt toen die zijn laatste composities schreef, heeft hij diens ’Via Crucis’ weer eens uit de kast gehaald. In dit visionaire werk uit 1878-79, waarvoor De Leeuw enkele decennia geleden al een lans brak, verbeeldt Liszt de 14 kruiswegstaties in muziekfragmenten waarin koor, korte zangsolo’s en instrumentale solo’s op piano of orgel elkaar afwisselen. De componist geeft de mogelijkheid de ’Via Crucis’ in een uitgeklede versie uitsluitend op piano te spelen. Dat deed De Leeuw als afsluiting van een indrukwekkend, geheel aan de ’late’ Liszt gewijd pianorecital. Ten opzichte van het origineel verliest de pianoversie van de ’Via Crucis’ het nodige, al is het maar doordat de teksten ontbreken. Tegelijk is deze versie de meest abstracte.

De Leeuw speelde dit werk in grote verstilling onder één grote spanningsboog. Zijn toucher was rijk gekleurd en zeer delicaat. Hij gaf in zijn interpretatie een geheel eigen visie op het passieverhaal, dat door Liszt quasi-programmatisch werd getoonzet. Het herhaaldelijk terugkerende ’loopthema’ geeft, indien strikt in de maat gespeeld, het onherroepelijke van de kruisgang weer. De Leeuw speelde dit leidmotief echter aarzelend en uit de maat, wat het beeld opriep van een Jezus die wankelend zijn kruisgang gaat.

Voorafgaand aan de ’Via Crucis’ speelde De Leeuw, naast het morbide ’La Lugubre Gondola’, een eveneens aan de dood gewijde cyclus: de ’Historische Hongaarse Portretten’ uit Liszts voorlaatste levensjaar. Het zijn muzikale grafdichten voor zeven beroemde Hongaren. Net als in de Via Crucis zijn sombere, dissonante samenklanken sfeerbepalend.

In de heroïsche passages miste De Leeuws uitvoering soms veerkracht. Des te fraaier klonken de ingetogen passages. Opmerkelijk was het hoe De Leeuw deze avond met ontoegankelijke en zwaarmoedige composities het publiek tot ademloos luisteren wist te brengen.

mailIcon print |