Jacob Backer behoorde in de 17de eeuw met Rembrandt tot de schilderselite, maar raakte onbekend. 400 jaar later krijgt hij eerherstel.
Je moet een doorgewinterde kunstkenner zijn wil er bij het horen van de naam Jacob Backer een belletje gaan rinkelen. Museum Het Rembrandthuis in Amsterdam durfde het aan om aan deze 17de eeuwse meester een bijzondere eenmanstentoonstelling te wijden. Dit gebeurt in nauw overleg met Backers ontdekker, de Nederlandse museumdirecteur Peter van den Brink, die de leiding heeft over het Suermondt-Ludwig-Museum in Aken, waar de expositie naartoe gaat.
Van den Brink liep al jaren rond met een plan voor de eerste tentoonstelling over Backer, maar tot nu toe had geen enkel museum in Nederland daar trek in. Het Rembrandthuis wilde ook duidelijk een relatie leggen tussen de schilder en de naamgever van het museum om daarmee aan het grote publiek duidelijk te maken dat Backer niet zo maar een schilder in de 17de eeuw was. In Aken zal Backer deze context missen.
De vergelijking tussen Backer en Rembrandt die wat leeftijd betreft overeenkwamen (Backer werd omstreeks 1608 geboren, slechts twee jaar na Rembrandt, en stierf wel eerder, namelijk in 1650, 19 jaar voor Rembrandt) houdt stilistisch gezien niet erg lang stand. Net als zijn latere stadgenoot bouwde Backer buiten Amsterdam aan zijn prille loopbaan. Geboren in Harlingen verhuisde hij met het ouderlijk gezin in zijn jeugd naar Amsterdam waar hij tussen zijn 12de en 18de levensjaar waarschijnlijk in de leer is geweest bij de historieschilder Jan Pynas.
Als achttienjarige trok hij weer naar Friesland waar hij als meesterknecht op het atelier van Lambert Jacobsz terechtkwam. Bij hem raakte Backer geschoold in het opzetten van historiestukken op groot formaat. Zijn doeken waren aanzienlijk monumentaler dan de schilderijen met dezelfde onderwerpen die in dezelfde jaren in Amsterdam werden gemaakt. Backer moet, toen hij in 1632 naar Amsterdam terugkeerde, opzien hebben gebaard met zijn historiestukken waarbij de hoofdfiguren levensgroot werden afgebeeld. Er was onmiddellijk een markt voor.
Rembrandt, die Backer moet hebben gekend omdat ze beiden met de kunsthandelaar Hendrick Uylenburgh in contact stonden, bleek vatbaar te zijn voor Backers grote doeken. In die grote formaten introduceerde hij ook nog eens nieuwe onderwerpen, zoals een scène uit het leven van koning David op twee doeken uit 1632. Dat waren schilderijen met respectievelijk afmetingen van 102 bij 146 cm en 150 bij 218. Twee jaar later, in 1634, zou Rembrandt zich voor het eerst aan een dergelijk groot historiestuk wagen.
Ook inhoudelijk hadden Backer en Rembrandt weinig gemeen. Rembrandt werd een knap psycholoog die ’s mensen verval onbarmhartig aan zijn eigen fysieke teloorgang verbond. Backer daarentegen putte zich vooral uit om zijn figuren als declamerende acteurs met een rijk scala aan handelingen neer te zetten. Ze vertellen altijd met hun handen een langdurig betoog, naar goed protestantse traditie (Backer verkeerde in doopsgezinde kringen) wordt er stevig en veel georeerd.
Interessant is dat beiden een portret van de remonstrantse prediker Johannes Wtenbogaert hebben gemaakt. In dit geval was Rembrandt de eerste, in 1633 schilderde hij de niet omstreden geestelijke in een wat formele pose. Backer portretteert hem zittend, met de veer in de aanslag en haalt hem voor de kijker ook wat dichterbij, alsof de gezetene zich rechtstreeks tot de kijker wil wenden.
Backer wortelde ook helemaal niet in het Hollands realisme van de 17de eeuw. Hij moet via zijn leermeester Lambert Jacobsz van Rubens en Anthonie van Dijck hebben gehoord en misschien ook hun werk in Antwerpen hebben gezien. De gestueuze handelwijze die hun figuren zo kenmerkt, vind je in verhevigde mate bij Backer terug. Ook als hij deelneemt aan de introductie van het classicisme typeert hij zijn figuren met een en al handeling. Onmiskenbaar Rubensiaans is de dieptewerking langs de diagonaallijn die Backer mogelijk heeft afgekeken van de Kruisafneming (1612) die Rubens voor de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen heeft gemaakt.
Behalve voor mythologische schilderijen en voorstellingen met een historische of bijbelse strekking was Backer een veel gezochte portrettist. In die hoedanigheid komt hij vooral in de jaren veertig van de 17de eeuw op. Concurrentie van Rembrandt had hij in die jaren niet veel – Rembrandt was in die periode niet bijster productief op dit terrein – maar des te meer van Govert Flinck en Bartholomeus van der Helst. Backer, die zich ontvankelijk voor het opkomende classicisme toont, slaagde erin zijn portretten een eigentijdse en zelfs modieuze uitstraling te geven.
Het is wel een opvallend gegeven dat Backer in dezelfde tijd dat hij lekker classicistisch bezig was even goed een ode aan het 17de-eeuwse realisme kon brengen. Hij stond dus open voor schilderkunstige noviteiten, werd er voor enige tijd een pleitbezorger van, maar was dan weer zo eigenzinnig dat hij eerder ingenomen standpunten ook gemakkelijk kon laten vallen. Misschien heeft dat ook met zijn bijzondere werkwijze te maken.
Backer stond bekend om zijn supersnelle schilderwijze. Bij hem geen veelvuldige poseersessies, maar vlotte zittingen die tot een schilderij per dag konden leiden. Net als Rembrandt, Vermeer, Frans Hals en nog wel meer portrettisten excelleerde Backer in het moeiteloos produceren van ’tronies’, vaak anonieme portretten van wellicht niet eens bestaande figuren die in hun portret een optelsom aan karaktertrekken te zien geven (denk aan het ’Meisje met de parel’ van Vermeer of ’Malle Babbe’ van Frans Hals).
Bij Backer zie je zelden het beroep af van zijn figuren, die onveranderlijk als ’herder’, ’herderin’ of nog simpeler ’man in diverse kledij’ of ’vrouw en profile’ worden genoemd. Het zijn in feite geen andere figuren dan de bijbelse, historische of mythologische figuren. Onveranderlijk geeft Backer ze als half- of driekwartfiguren weer, enigszins schuin gezeten om daar een mooie spanning in het vlak mee te creëren. Net als Rembrandt kiest de schilder dan voor een donkere, egaal ingekleurde achtergrond.
Het effect oogt heel chic en geeft ook veel dieptesuggestie, maar op den duur zijn dit wel erg saaie voorstellingen. Backer moet volgens zijn biograaf Peter van den Brink een broertje dood aan het schilderen van landschappen hebben gehad, hij ging ook geen allianties aan met een landschapsschilder die een achtergrond mocht leveren. Dan rijst de vraag, zou hij geen landschappen hebben geschilderd omdat hij dit metier technisch niet onder de knie had?
Afgaande op de vele schetsen en studiebladen die bewaard zijn gebleven, kun je stellen dat Backer technisch goed was onderlegd. In een willekeurige schets weet hij zonder al te veel middelen aan te boren snel zijn ware bedoelingen duidelijk te maken. Maar ook op papier missen de figuren elke context. Nu hadden Backers collegae die wel voor zo’n context zorgden daar meestal een bedoeling mee. De omgeving van een geportretteerde zegt natuurlijk iets over de afgebeelde persoon. Het interieur oogt in de 17de eeuw vaak welstandig om te laten zien dat het de afgebeelde als ondernemer of patriciër voor de wind was gegaan en deze op het hoogtepunt van zijn roem nog even een mooi familieportret wilde laten schilderen.
Van den Brinks poging om Backer de roem terug te bezorgen die hem in de 17de eeuw zo ruim ten deel viel maar daarna in rook opging, lijkt met deze presentatie geslaagd. Het vooroordeel dat Backer het op punten aflegt tegen zijn veel beroemdere tijdgenoot Rembrandt mag verdwijnen, maar daarmee is Backers kwaliteit niet plotseling zo veel beter geworden. Afgezet tegen stijlgenoten als Flink en Van der Helst is het werk van Backer echter meer dan van lokaal belang.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.