*

 

In Nero’s voetsporen

Cees Straus − 02/04/09, 00:00

Het Domus Aurea van de Romeinse keizer Nero was befaamd om zijn schilderingen. Keramiek van navolgers staat nu in Haarlem.

  • Putto, hier een cherubijntje, met vuurpan. (COLL. M.J. KOENDERS)
    Putto, hier een cherubijntje, met vuurpan. (COLL. M.J. KOENDERS)
  • Hiernaast: Figuurtje met takken en kroon.  In de rand zijn grotesken verwerkt. Deruta, tussen 1575 en 1600. (COLL. BOIJMANS VAN BEUNINGEN)
    Hiernaast: Figuurtje met takken en kroon. In de rand zijn grotesken verwerkt. Deruta, tussen 1575 en 1600. (COLL. BOIJMANS VAN BEUNINGEN)

Hoe kwam Nero 1500 jaar na zijn uitzinnige keizerschap in Haarlem terecht? Die vraag stelden Haarlemse archeologen zich bij de voorbereidingen van een spannende tentoonstelling van Haarlems en Italiaans aardewerk in het Archeologisch Museum in de Haarlemmer binnenstad. Daarbij wordt gebruikgemaakt van aardewerk dat in Haarlem zelf is opgegraven en van vindplaatsen elders in het land.

De Romeinse keizer Nero (37-68 na Chr.) heeft een kwalijke reputatie door het snoeiharde beleid waarmee hij op niet mis te verstane wijze afrekende met zijn tegenstanders. Zijn perverse gedrag op seksueel gebied wordt hem nog steeds aangerekend. Maar diezelfde Nero kan ook prachtlievend worden genoemd. Hij liet de wereld het Domus Aurea na, een schitterend paleiscomplex. Dat werd nadat het in ruïneuze staat was vervallen, in 1488 in Rome blootgelegd.

Omdat de ruimtes op onderaardse gewelven leken – het paleis was bedekt onder een berg puin en ander afval – werden de zalen als grotten beschouwd. De muur- en plafondschilderingen werden een bron van intensief onderzoek. Omdat ze uit deze vermeende grotten kwamen, werden ze grotteschi (of grotesken) genoemd.

Nero, bewonderaar van de Griekse cultuur, had zijn schilders opgedragen om de gewelven met wonderlijke fabeldieren en plantaardige motieven te decoreren. Kunstenaars lieten zich na de vondst van het Domus Aurea al snel inspireren door deze wonderlijke ornamenten. Raphaël bijvoorbeeld mocht de Stanze delle Segnatura in het Vaticaan met zijn zelf ontworpen versieringen optuigen. Maar buiten Rome, kwamen de grotesken in zwang. Zo zijn de lange gangen van de Uffizi in Florence op uitbundige wijze van dergelijke versieringen voorzien.

Ook op de vrije markt in Italië werd naar eigentijdse vertalingen van dit eeuwenoude motief gekeken. De grotesken waren een dankbaar motief om er aardewerk mee te decoreren. In het hart van de schotel was meestal een medaillon met een autonome voorstelling te vinden. Dat kon een putto zijn (een engeltje dat frank en vrij rondstapte), een landschap, een stadsgezicht of een ander, meestal triviaal onderwerp.

Maar in dit geval waren de randversieringen veel belangrijker. Die randen waren in keramieksteden als Deruta en Urbino (in de provincie Umbrië) meestal gelobd of ze lieten een golvend patroon zien. Aan de uiterste binnenrand staan streepjes in het gelid, maar in de cirkels naar het midden wacht een bonte pracht aan vogels, fabeldieren of planten die met veel krullen en golvende lijntjes zijn vormgegeven. Tussen dergelijke onderwerpen (er kwamen ook bladranken bij) en de eigenlijke krullijn bestaat niet veel verschil.

Omdat dit aardewerk (faïence genoemd, omdat het met een laag tinglazuur is afgedekt; in Nederland ook Delfts aardewerk geheten) buiten Italië ook veel aftrek vond, is het verspreidingsgebied enorm groot geworden. Zo raakte Haarlem –in het begin van de Gouden eeuw voor kunstenaars the place to be– in de ban van de grotesken die door de plaatselijke keramist Willem Jansz. Verstraeten in duizendvoud op zijn productie terechtkwamen.

De 17de-eeuwse keramist Verstraeten was een innovatieve ondernemer. Onder zijn leiding werd de vervaardiging van aardewerk opgevoerd door de toepassing van mallen. Daarmee stond Verstraeten aan de wieg van een nieuw, pre-industrieel proces. Hij was zeer behendig in het bedenken van nieuwe vormen van versieringen, maar kopieerde ze ook rechtstreeks van Italiaanse voorbeelden. Opvallend is dat hij de grotesken veel preciezer schilderde dan in Italië het geval was. Volgens de samenstellers van de expositie en de auteur van de Verstraeten-monografie, Jan Baart, komt het door de hoge productie die de Italiaanse keramisten zich moesten getroosten om aan de wens van de groeiende markt te voldoen, dat zij slordig gingen werken. Verstraeten had daar minder last van, hij kon bovendien heel vakbekwaam schilderen.

Verstraeten was gecharmeerd van faïence uit Ligurië, een van Italië’s westelijke regio’s. Op dit aardewerk komen versieringen voor in de vorm van krabben, destijds geschreven als crabben. Dat voor deze zeewezentjes werd gekozen, is niet zo vreemd. De belangrijkste stad in Ligurië is Genua en dat is en was in vroegere tijden een haven van formaat.

Het zijn eigenlijk abstracte krullijntjes die veel lijken op dit soort zeevruchten. Veel meer nog dan de grotesken, die alle kanten lijken uit te dwarrelen, wekken de crabben de idee dat ze elkaar in de staart bijten. Ze scharrelen achter elkaar aan, wat een levendige indruk wekt. Schalen met crabben creëren dan ook een dynamische sfeer. Ook het feit dat Ligurisch aardewerk een hoofdrol aan de kleuren blauw of wit geeft, zal in de Nederlanden, met zijn voorliefde voor Delfts blauw, wel geapprecieerd zijn.

Het hoofdmotief op de Ligurische schotels bevindt zich anders dan in de schalen uit Deruta en Urbino niet in een medaillon, maar in de vrije ruimte. Het zijn vaak mollige blote jongetjes (putti geheten, of cherubijntjes als ze vleugels hebben) die aan mythologische verhalen zijn ontleend. Religieuze thema’s komen veel minder voor, net als trouwens bij de grotesken. Ook dat zal in de Hollandse burgerrepubliek waaraan de contra-reformatie geheel voorbijging, wel gewaardeerd zijn.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />