Westerlingen zien Afrika vaak als een duister continent. Zo niet Peter Orner, die een verfrissend realistische roman schreef over een Amerikaan die zich in de Namibische woestijn erg verveelt.
Afrika: primitief, ondoordringbaar, mysterieus, betoverend. Zo kijkt de gefascineerde westerling naar ’het donkere continent’. Maar fascinatie houdt haar object al te vaak in een houdgreep; Afrika werd letterlijk én symbolisch gekoloniseerd. Een beroemd geval van dat laatste is Joseph Conrads roman ’Heart of Darkness’ (1902), over een uitputtende tocht naar Afrika’s nog niet in kaart gebrachte binnenlanden. Conrads boek is exemplarisch voor al die representaties van Afrika die laboreren aan een al te opzichtige buitenstaandersblik.
Er zijn ook uitzonderingen, zoals de Amerikaanse auteur Peter Orner, die naar Afrika kijkt alsof hij nooit iets anders heeft gekend. Bovendien schrijft hij erover op een totaal ongeforceerde manier.
Net als Larry Kaplanski, hoofdpersoon en een van de vertellers van de debuutroman ’De terugkeer van Mavala Shikongo’, heeft Orner in Namibië gewerkt. Kaplanski is een Joodse Amerikaan die vrijwilligerswerk doet in het afgelegen Goas. Is het toeval dat zijn naam lijkt op Korzeniowski, Joseph Conrads oorspronkelijke Poolse achternaam?
De grond rond Goas is zo droog en onvruchtbaar dat de laatste eigenaar alles heeft gedaan om zijn bezit van de hand te doen, maar tevergeefs. Na zijn dood in 1941 laat hij het na ’aan de enige die het niet kon weigeren’: God. Bij Diens afwezigheid valt het toe aan Gods aardse vertegenwoordiger, de katholieke kerk. Verlegen met deze erfenis stuurt de kerk twee Duitse monniken naar Goas om er een schapenboerderij te beginnen. „Als die monniken erin slaagden om winst te maken – prijs de Heer. Als ze in de wildernis dood neervielen – Gods wil.”
Gods wil geschiedt en dus zitten de kerkelijke autoriteiten opnieuw met de handen in het haar. Pas in 1967 krijgt Goas een nieuwe bestemming, nadat het Zuid-Afrikaanse apartheidsbewind, dat destijds het bewind over Namibië voerde, zwarten uit de stedelijke gebieden had verjaagd. Er wordt een jongensschool gevestigd. Met deze en andere historische details laat Orner zien hoe zelfs het onbeduidendste stukje aarde beïnvloed wordt door de raderen van de geschiedenis.
Als Kaplanski in 1991 in Goas aankomt, krijgt hij niet het gevoel dat hij welkom is. Het zou beter zijn geweest, zegt het schoolhoofd, als hij geld had gestuurd, maar nu hij er eenmaal is, moet hij maar een kamertje in de vrijgezellenafdeling betrekken en Engels en geschiedenis gaan geven. Het verveelt hem al even erg als de klas.
Bijna ongemerkt wordt Larry opgezogen door een geestdodende routine waarin wind, zand, zweet, verveling en seksuele begeerte de vaste elementen zijn. Orners beschrijving is zo realistisch dat je nu eens denkt te bezwijken onder de troosteloosheid, maar dan weer wordt meegesleept door de prachtige manier van vertellen, de humoristische karakteriseringen, de betekenisvolle symboliek en de beeldende taal.
In het saaie Goas laait de vlam van de begeerte hoog op wanneer er een voormalige vrijheidsstrijdster uit de Namibische onafhankelijkheidsoorlog haar opwachting maakt – de jonge onderwijzeres Mavala Shikongo, die gekleed in korte rokjes en op hoge hakken even gracieus als lui over het zanderige terrein heen en weer loopt. Even plotseling als ze is verschenen verdwijnt ze ook weer, om een paar maanden later terug te keren met een kind waarmee niemand raad weet, zij zelf nog het minst.
De geheimzinnige Mavala trekt Larry in haar web, totdat ze tijdens de dagelijkse siësta de passies van heel Goas uitleven op een afgelegen kerkhof, overigens zonder dat er sprake is van één expliciete seksscène.
In plaats daarvan concentreert Orner zich op de voortsukkelende gesprekken tussen de twee minnaars, die zonder veel succes meer van elkaar te weten proberen te komen. De verteltrant is ingehouden, maar de atmosfeer blijft aanhoudend gespannen, wat een hele kunst is aangezien er nauwelijks iets gebeurt.
Haast ongemerkt weet Orner Kaplanski op te laten gaan in Goas en zijn bewoners. Desondanks slaagt niemand er in tot een ander door te dringen. Iedereen stuit immers op de blokkade van de eigen geschiedenis. Mavala verdwijnt opnieuw, ditmaal definitief, Larry keert terug naar de Verenigde Staten en de lezer voelt zich achtergelaten in de woestijn rond Goas. Wat we overhouden is een soepele en elegant gestileerde roman over verlangen en het uitblijven van vervulling.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.