*

 

Een boosaardige man, een ontrouwe minnaar

04/04/09, 00:00

Grote schrijvers zijn niet altijd fijne mensen, zo blijkt uit Patrick French’ opvallend eerlijke biografie van Nobelprijswinnaar V.S. Naipaul.

  • Naipaul met  zijn  Argentijnse minnares Margaret, die hij mishandelde  en die  het veld moest ruimen voor de  minder sympathieke Nadira. (Trouw)
    Naipaul met zijn Argentijnse minnares Margaret, die hij mishandelde en die het veld moest ruimen voor de minder sympathieke Nadira. (Trouw)

Weinig mensen zouden V.S. Naipaul een prettige persoonlijkheid durven noemen. Hij staat bekend om zijn prikkelbaar gedrag en waakt bovendien streng over zijn privacy. Vandaar dat ik Patrick French’ geautoriseerde biografie met een bang hart opensloeg. Vooral dat ’geautoriseerd’ baarde me zorgen. Onnodig, want dit is geen hagiografie.

Daarmee dwingt de biograaf niet alleen respect af voor zichzelf, maar ook voor Naipaul. Niet zozeer voor diens reactionaire denkbeelden, maar wel voor de vrijheid die hij zijn biograaf verleende om zijn persoonlijkste gedragingen en standpunten te beschrijven en te analyseren.

French begint helemaal bij het begin, of eigenlijk nog eerder: bij de geschiedenis van Naipauls familie. En die is verwarrend, zoals dat bij zoveel families van contractarbeiders het geval is. French ontwart de concurrerende verhalen en demonstreert daarmee zijn onpartijdigheid. Hij voelt zich bijvoorbeeld niet geroepen te ’bewijzen’ dat de Naipauls tot de brahmanen – de hoogste kaste van India – behoorden. Niet dat dat er op zich veel toe doet, maar de familie was er trots op en Naipaul zelf verwijst altijd graag naar zijn afkomst. De vraag is alleen, zoals zijn biograaf onomwonden vaststelt, of dat verhaal wel klopt.

Hoe eerlijk French is, blijkt ook uit zijn verslag van Naipauls relatie tot anderen, onder wie schrijvers als Derek Walcott en Paul Theroux. Naipaul is niet alleen bot, hij betuigt ook nooit enige spijt. Zijn necrologie van de Indiase schrijver Nirad Chaudhuri beschrijft French als een ’uitermate lasterlijk en boosaardig stuk’.

En hij lag niet alleen overhoop met andere schrijvers, hij misbruikte ze ook; French aarzelt niet om daarop te wijzen. Hetgeen leidt tot ongemakkelijke, maar ook tot amusante passages: sommige vakbroeders kregen wat ze verdienden.

Vermakelijk voor Nederlandse lezers is ook Naipauls reactie op Nederland en Denemarken: „In elk dorp is een pornoshop; in de kranten staan advertenties voor pornomodellen.” De voor hem zo typerende schimpscheuten besluit hij met een al even Naipauliaanse minachting voor elke identiteit die de zijne niet is. „Voor mij is het woord ’Scandinavisch’ nu een gruwelwoord, vol kilheid en dood en naargeestige copulatie”.

Seks kan een pijnlijk onderwerp zijn, vooral als het onderwerp van de biograaf nog leeft. Maar ook hier draait French nergens omheen: Naipaul ging naar de hoeren – en schaamde zich daar voor. French praat het niet goed, en suggereert evenmin dat Naipauls veelgeplaagde echtgenote Pat er enige aanleiding toe gaf. Integendeel: hij maakt duidelijk dat zij ons respect en onze sympathie verdient. Ze komt over als een loyale, intelligente vrouw die werd mishandeld – overigens niet fysiek, maar daarover later – en zonder wie Naipaul waarschijnlijk nooit zo ver gekomen was.

Ook de andere vrouw die Naipaul in zijn productiefste periode ter zijde stond, zijn Argentijnse minnares Margaret, wordt met sympathie beschreven. We krijgen een onverbloemd verslag van wat zij allemaal heeft moeten slikken, maar het fysieke geweld dat ze onderging beschrijft French summier, tactvol, en op de vernedering die zij moest doorstaan na de dood van Pat, toen ze werd ingewisseld voor Nadira, gaat hij verder niet in.

Nadira zelf is de enige vrouw die minder vleiend wordt beschreven. French herkent in haar een geestverwant van Naipaul, en dat is geen compliment.

Behalve de biografie van een bijzonder mens, is dit ook echt een levensverhaal. Een verhaal dat begint in een familie van contractarbeiders uit India, die in het multi-etnische Trinidad veel waarde hecht aan haar identiteit. En het verhaal van een man die zijn eveneens schrijvende vader verafgoodde, maar weinig deed om hem de literaire erkenning te geven waar hij naar hunkerde. En het is het verhaal van een man die, nadat hij in Engeland aankwam, besefte dubbel ontheemd te zijn: ’gekleurd’, maar niet blank, Indiaas, maar niet uit India, Caribisch, maar niet ’zwart’, een Engelse schrijver, maar niet Engels. Een gekwelde, feilbare man, die tegen de tijd dat hem de Nobelprijs werd toegekend, al zo ver was dat hij zijn diepgewortelde vooroordelen in zijn boeken ventileerde. Indiërs associeert hij met ontlasting, moslims verwijt hij dat hun geloof Arabische wortels heeft en ’zwarten’ krijgen zo’n beetje overal de schuld van. Het enige excuus dat altijd weer wordt aangevoerd is dat Naipaul uit Trinidad komt. Ironisch, also je bedenkt dat het juist dit Trinidad was, waaraan de jonge Naipaul zo graag wilde ontsnappen.

Het boek besluit met Naipauls huwelijk met de nogal afschrikwekkende Nadira. Het echte einde is dat natuurlijk niet: de man is nog onder de levenden. En dus valt er van zijn biograaf en van Naipaul zelf nog het een en ander te verwachten. In beide gevallen iets om naar uit te kijken.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />