Zes jaar geleden liet Rwanda een deel van de moordenaars van de genocide van 1994 vrij. Ze waren nodig op het land. De journalist Jean Hatzfeld sprak de moordenaars. Zijn landgenoot Gérard Prunier laat zien hoe daders en slachtoffers met elkaar moeten samenleven.
Volgende week wordt in Rwanda herdacht dat vijftien jaar geleden de genocide losbarstte. Daarbij kwamen naar schatting 800.000 Tutsi’s en Hutu’s die tot de oppositie behoorden om het leven. In honderd dagen tijd. Eind vorig jaar verscheen het derde deel van een opmerkelijke trilogie van de Franse journalist Jean Hatzfeld. Nadat hij eerst de verhalen van de overlevenden had opgetekend in het nimmer naar het Nederlands vertaalde ’Dans Le Nu de La Vie’, raakte hij geïnteresseerd in de verhalen en de motieven van de daders. Daarover schreef hij het onthutsende boek ’Seizoen van de Machetes’.
Nu is er dus een derde deel, ’De Strategie van de Antilopen’, dat over de confrontatie tussen de daders en de overlevenden gaat. Tezamen vormen de boeken een belangrijk document, onmisbaar om dat kleine beetje te begrijpen over iets wat niet te begrijpen valt.
In 2003 besluit het Rwandese regime gevangenen amnestie te verlenen die een deel van hun straf hebben uitgezeten en die geen leiding hebben gegeven aan het moorden. Voorwaarde is dat ze hun daden hebben bekend. Gedeeltelijke bekentenissen weliswaar, want waarom zou je alles bekennen als je voor minder al amnestie kunt krijgen? Na een heropvoedingcursus keren de moordenaars terug naar hun dorpen en hun akkers.
De motieven van de Rwandese regering om deze daders vrij te laten zijn velerlei. Het aantal daders dat zich in het justitiële systeem en de gevangenissen ophoopt loopt in de honderdduizenden, een kostbare aangelegenheid. De handen van al deze mannen worden node gemist op het land.
En de frustratie onder de overweldigende Hutu-meerderheid kan zich politiek tegen de door Tutsi gedomineerde regering keren. Rwanda moet verder en de overlevenden vormen slechts een klein percentage van de bevolking.
Aldus keren de daders terug naar hun dorp Nyamata, waar ook de eerdere boeken van Hatzfeld zijn gesitueerd. Het gaat stuk voor stuk om meervoudige moordenaars, die voortaan weer op hun akker zullen werken naast die van een overlevende of met hen in de kerk zullen zingen en bidden. „De eerste die ik herkende was een van de buren. Hij is degene die mijn zus heeft omgebracht. Ze zeiden beschaamd: „Halleluja, halleluja! Hou van elkaar. We zullen voortaan voor jullie bidden, absoluut”, herinnert Claudine zich van toen ze een kijkje op straat nam om de stoet ex-gevangenen te zien voorbijtrekken.
De Tutsi’s van Nyamata en omstreken hebben aan het begin van de genocide hun toevlucht gezocht in een bos boven op de heuvel Kayumba. Zes weken lang maakten de moordenaars jacht op hen en hakten de slachtoffers met hun machetes dood. Aan het begin waren de slachtoffers met zesduizend. Na zes weken toen de rebellen het gebied bevrijdden, waren er nog twintig in leven.
Hatzfeld tekent de thuiskomst op uit de mond van de moordenaar Alphonse: „Vanwege de buren hebben we het niet met kip gevierd. We wilden niet blij overkomen en maakten liever aardappelen klaar.”
Deze nabijheid van daders en slachtoffers omschrijft de Franse wetenschapper Gérard Prunier in zijn nieuwste boek ’Africa’s World War’ als een ’griezelig huislijke geur’, niet te vergelijken met bijvoorbeeld de Holocaust, waar de slachtoffers door vreemden werden omgebracht. In het kleine Afrikaanse land zullen de daders en de slachtoffers met elkaar móeten verder leven.
„Er zijn duizenden Tutsi-weduwen, die niet genoeg kracht hebben om het land met de hak te bewerken, zij zweten voortaan voor twee”, zegt Sylvie bitter, „terwijl duizenden Hutuvrouwen twee mannenarmen cadeau krijgen.” Compensatie voor de overlevenden is er niet of nauwelijks, ze moeten op eigen kracht een nieuw bestaan zien op te bouwen.
Maar hoe, vraag je je af, kunnen deze mensen de beperkte leefruimte met elkaar delen, hoe reageren ze als ze elkaar op de markt of op straat tegen komen. Is er sprake van enige toenadering of iets wat op verzoening lijkt? De moordenaar Pancrace: „Ik ben niet op bezoek gegaan bij overlevenden. Ik was beducht voor hun trauma’s. We kwamen elkaar tegen, we konden elkaar zonder boosaardigheid groeten, dat vonden we voldoende.”
„Geen enkele gevangene is vergiffenis komen vragen. Ze zijn bang om een gesprek te voeren. Daarom zeggen ze je snel gedag, om te voorkomen dat ze je een hand moeten geven. Ze doen zich poeslief voor, maar ze vermijden ieder vertrouwelijk gebaar tegenover ons”, zegt Claudine.
En Innocent: „Je ziet Adelbert terugkomen, hij heeft de moordpartijen in Kibungo geleid, hij heeft gratie gekregen. Jij komt uit Kibungo, vijfhonderd meter bij hem vandaan. Je hebt je vader, je moeder, twee zussen, je vrouw en je zoontje verloren. Je komt Adelbert in het centrum tegen, hij jou en jij hem: wie gaat er over vergeving praten? Dat is onnatuurlijk. Deze tijd dwingt ons in feite alles te slikken.”
Dit is van een gelatenheid die even onvermijdelijk is als dat ze ieder voorstellingsvermogen te bovengaat. Iedere ontmoeting loopt voor de slachtoffers uit op een pijnlijke confrontatie. De overlevenden zijn in de minderheid, ze kunnen niet anders dan dit lot aanvaarden. Tegenwoordig vormen ze nauwelijks nog een groep, omdat de herinneringen aan die periode, waar je telkens toch weer over praat, te pijnlijk zijn. Dat uiteenvallende universum bestaat parallel aan dat van de moordenaars, zo blijkt uit de woorden van de dader Alphonse: „We ontmoeten elkaar vaak, de kameraden van onze groep. We komen bij elkaar op bezoek en wisselen drank en herinneringen uit. Maar met de Tutsi’s voelen we ons ongemakkelijk. () Vertellen hoe je het met enthousiasme beleefde, hoe opwindend het was, nee dat niet. Hoeveel lol we tijdens de moordpartijen hadden, hoe we op goede dagen bier ronddeelden, koeien slachtten en in de moerassen zongen, hoe we seks hadden met de vrouwen die pech hadden, hoe we ’s avonds zaten op te scheppen of stervende mensen imiteerden.” Ze zouden het zo weer doen, is je eerste gedachte. Hier ontbreekt ieder berouw, geen schaamte er is geen begin van een schuldgevoel. Hij vervolgt: „Praten met een Tutsi-familie is verwarrend, niemand kan er redelijk over praten. Ik begin er liever over in het café. Je biedt grootmoedig een fles aan, je wisselt beleefdheden uit, je stelt voor een handje te helpen bij het zaaien, dat is een manier om er met een omweg over te praten.”
Bij Innocent zijn twee mannen om vergiffenis komen vragen: „Ze kwamen niet uit goede wil, maar in een poging gevangenisstraf te ontlopen. Het is moeilijk om aan een vader te komen vertellen hoe je zijn dochter hebt doodgehakt, of voor de vader om aan die mensen te vragen hoe ze haar hebben omgebracht. Dus hebben we niets gezegd, afgezien van wat beleefdheden. Ze boden een flesje aan, we beloofden elkaar hulp bij het werk op de akkers. Ik heb naar ze geluisterd, zodat ze sneller weg zouden gaan en me alleen lieten met mijn verdriet. Ik deed of ik ze bedankte.”
De onmogelijkheid om de gebeurtenissen ter sprake te brengen is schokkend maar treffend weergegeven door Hatzfeld. Waar zijn eerdere boek over de daders opvalt, omdat het de bruutheid en gewetenloosheid laat zien, is ’De Strategie van de Antilopen’ een indrukwekkend slot van de trilogie waarin de kloof tussen daders en slachtoffers pijnlijk aan het licht wordt gebracht, terwijl ze voortaan weer als buren verder moeten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.