Het kon geen toeval zijn dat de ZaterdagMatinee zo vlak na Obama’s inauguratie in het teken van Amerika stond. De vaders van de Amerikaanse muziek Aaron Copland en Charles Ives dienden zaterdag als voedingsbodem voor nieuw werk van hun Nederlandse collega’s Giel Vleggaar en Maarten van Norden.
Van Norden is een componist die balanceert tussen de intuïtie van de free-jazz en de romantische expressie van Schönberg aan de ene kant; en aan de andere kant de techniek en koele schoonheid van Stravinsky en van wiskundige ordeningen. Dat amalgaam leverde al interessante stukken op, maar Van Nordens nieuwe orkestwerk ’Epitaaf’ klonk zaterdag als een stap terug in zijn oeuvre.
Het gebalanceer tussen tegenstellingen werd in zijn in memoriam voor Igor Stravinsky een worsteling, waar de componist niet boven zijn voorbeelden (Schönberg, de late Stravinsky) of materiaal uitsteeg. De twaalftoonsmuziek ontbeerde richting en dobberde van moment naar moment, de instrumentatie was onuitgesproken, de strijkersfuga aan het eind trok de muziek tachtig jaar terug de tijd in, de slagen op de grote trom aan het slot leken er als effect opgeplakt. Waarheen? Waartoe?
In dezelfde helft klonk de brave Derde symfonie van Charles Ives: niet zijn sterkste werk, waardoor het concert zaterdag als een nachtkaars uitging. En dat terwijl het programma zo fris en voortvarend begonnen was met Coplands hymnisch-pastorale ’Appalachian Spring’ – lekker open en breed uitgevoerd door Otto Tausk en de Radio Kamer Filharmonie (RKF).
Copland diende als opmaat voor het driedelige ’Piano Concerto’ dat Giel Vleggaar voor Ralph van Raat schreef: ook al zo’n uitbundig werk, waar het plezier in de hoekdelen van afspatte in geile orkestklanken. In Vleggaars concert is de solist als primus inter pares ingebed in het orkest: geen uitgebreide solocadenzen of spierballenvertoon. Wel veel vaart en kleurenpracht.
Vleggaar koppelt in zijn werk kwajongensachtige bravoure aan een feilloos vormgevoel en een goed innerlijk oor. Een obstinaat openingsmotief in de piano dook gedurende het eerste deel (’Path’ ) als coole, ’West Side Story’-vingerknip op in het hele orkest. Met rake tutti-klappen en hoge crotales zette Vleggaar zijn groovende betoog in dat deel aan, doorkruiste hij het of liet hij de solist en het orkest van rol wisselen.
Het zacht ademende middendeel ’Prayer’ was van een betoverende, on-Nederlandse schoonheid: een ontroerende hymne waarin de solist stille tranen druppelde over de zuchtende strijkers. In het wilde slotdeel dook Van Raat hier en daar spannend onder in het geheel, om ten slotte in zijn eentje over te blijven en naar de horizon te lopen. Vingerknippend, wel te verstaan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.