In haar voor Berlijn geselecteerde, eerste lange speelfilm ’Kan door huid heen’ filmt Esther Rots ’door de huid heen’ het verhaal van een vrouw die na een aanranding haar grip op de werkelijkheid verliest. Deze Amsterdamse Marieke verkeert in een wat wankele staat nadat haar vriendje het heeft uitgemaakt en wordt dan in haar eigen huis aangerand door een indringer.
Na die gebeurtenis reist ze naar Zeeland waar ze zich terugtrekt in een vervallen boerderij. Het is winter, koud en nat. Het land is leeg, het huis rot. Loopneus, roze wangen, kleumende vingers. De douche hangt in een kale ruimte, een rat schiet uit de rotte vloer, afwas en eten stapelen zich op.
Een buurman die wil helpen wordt weer weggejaagd. Waan en werkelijkheid mengen. Op de vloer van de schuur ziet Marieke de in Amsterdam al weer vrijgesproken aanrander vastgebonden terug.
Rifka Lodeizen schittert als Marieke. Ze oogt aards en sterk, ze handelt snel en voortvarend maar je voelt dat ze glijdt. De Belg Wim Opbrouck is als de buurman een innemende grote papabeer; een onwaarschijnlijke combinatie met de wereldse Marieke die toch even in verwarring haar hoofd laat leunen.
Rots snijdt snel, tekst en beeld lopen soms uit elkaar en vallen soms over elkaar heen. Er wordt weinig uitgelegd, je ziet niet precies wat er gebeurt. Wat doet die vriendin ineens in Marieke’s huis? Zeeland? Waarom blijft de buurman weg?
Dat gebrek aan uitleg geeft Marieke’s gevecht om de boel bij elkaar te houden urgentie, maar gek genoeg ga je onder die voortvarende, intuïtieve filmische vorm soms ook de bodem missen – alsof de tuimelende beelden ook moeten verhullen dat dit een vormexperiment is, zonder een verhaal erachter. Maar dat is een beetje een vaag bezwaar. Tenslotte is het ook precies het punt: vrouw op de vlucht, samenhang zoek.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.