Het schetsen van de tijdgeest – kabouter Plop, deeltijdouders, Iglo-maaltijden – is Hans Hogenkamp wel toevertrouwd. Maar is dat genoeg om een roman op te bouwen?
Er is Job iets groots overkomen. Iets wat al het andere in zijn leven tot bijzaak degradeert. Nu was dat andere al niet zo veel meer. Weliswaar is deze Amsterdamse Job miljonair, dankzij een door hem opgerichte datingsite (’relatiemarkt.nl’), die hem ook een vrouw en twee kinderen heeft opgeleverd. Maar zijn huwelijk is binnen een paar jaar verwaterd tot ’meer gezelligheid dan een mens kan verdragen’, en als selfmade miljonair is hij ook maar gestopt met werken. Geen wonder dat de 31-jarige Haagse Zanne, die in haar spijkerbroek een prachtige kont en een designer-vagina verbergt én die tijdens de superieur soepele seks grossiert in geile aansporingen, de gevoelige Job van zijn kindvriendelijke hippe bakfiets blaast.
Hans Hogenkamp, tevens docent schrijven aan de Schrijversvakschool, debuteerde in 2006 met ’Excuses voor het ongemak’, en werd destijds geprezen om zijn onberispelijke stijl, fijnzinnige ironie en zijn ongekende voeling met de tijdgeest. ’Excuses voor het ongemak’, over een maagd op leeftijd en de bij hem ingetrokken Sri Lankaanse schoonmaakster, haalde het gewenste straatrumoer de Nederlandse letteren binnen. Het debuut werd genomineerd voor de Selexyz Debutantenprijs.
Die onberispelijke taal en fijnzinnige ironie beheerst Hogenkamp nog steeds in ’Dingen die op liefde lijken’, zijn tweede roman. Alleen is de ironie nu zo fijnzinnig dat je je begint af te vragen of het nog wel ironie is. Dit relaas van de wanhopige verlaten minnaar Job is zo enorm doodgewoon en direct herkenbaar dat je lang zit te wachten op het moment waarop het verhaal zich wel tegen zichzelf moet keren; op de dubbele bodem, de wijze les. En die komt maar niet.
Als het boek begint, behoort niet alleen Jobs huwelijk maar ook zijn hartstochtelijke affaire met Zanne al weer tot het verleden. Job likt zijn wonden. Hij heeft een nieuw huis gekocht, dat hij zelf verbouwt om tijdens zijn liefdesverdriet wat om handen te hebben. Zijn vrouw en hij hebben de kinderen in gekleurde weekschema’s precies gelijk verdeeld. Job zwelgt in bitterzoete herinneringen aan de seksuele hoogtes die hij bereikte met ex-geliefde Zanne, zijn ’persoonlijke pornoficatie’, die, al wilde Job het lang niet geloven, inmiddels al weer wordt afgeleid door haar volgende grote liefde, de dertigste.
Zanne zelf raadt hem aan het een en ander eens op te schrijven – ter verlichting. Zo lezen we over Job en Zanne, waarbij we meestal in de tijd heen en weer springen, en Job zichzelf nu weer in de ik-vorm, dan weer in de hij-vorm beschrijft: soms noteert de verteller dezelfde voorvallen in de ik-vorm én de hij-vorm.
De charmes van dit boek liggen in de luchtigheid en herkenbaarheid.. Van kabouter Plop (plopperdeplop), de bakfiets, de Replay-laarzen en de Franse Iglo-vleesschotel tot aan de verdeelschema’s van de kinderen, de tactieken die Job met de tennisvriend doorspreekt om Zanne terug te winnen, en de zelfhulpboekjes vol Griekse goden die Zanne erbij haalt om elkaar beter te snappen (zij is een Persephone, hij een Hermes!); het is allemaal uit je eigen leven gegrepen en soepel opgeschreven. Zelfs de manier waarop Job her en der zinnen van Grunberg, Elsschot of Coetzee citeert, lijkt treffend op hoe wij schrijvers van wereldformaat in ons eigen leven inzetten om het zinledige van extra betekenis te voorzien.
Lang lijkt de schrijver zo aan te sturen op een parodie, een cynische ’chicklit’ voor mannen, een sardonische ’de schaamte voorbij’ van de wanhopige minnaar misschien, of een ’Betty Blue’ die toch uitloopt op zelfinzicht en maatschappijkritiek, alleen: die distantie ontbreekt in ’Dingen die op liefde lijken’. De messen liggen klaar maar worden niet geslepen. Je weet op de laatste bladzijde precies evenveel als op de eerste. ’Poederdoosgeit’ Zanne is weg, man draait in kringetjes; amusant, soms geestig, maar op den duur wat eentonig.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.