Het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam brengt de eerste vorm van fotografie in beeld: de daguerreotypie.
Enkele tientallen minuten kon het wel duren, tot een half uur toe, als je rond 1845 een portretfoto liet maken. En al die tijd moest je doodstil blijven zitten, want anders werd de foto onscherp. Weliswaar hadden de meeste fotografen een stoel met een speciale hoofdsteun waarin je je hoofd kon laten vastklemmen, maar dan nog.... Als je de foto bekijkt die Johanna Cornelia Polvliet-Boonzajer in 1846 liet maken van zichzelf en haar vijf zonen, groeit de bewondering dat deze vrouw er zo onbewogen bij zit. De enige verklaring is waarschijnlijk dat haar hoofd zo stevig vast in de stoelklem, dat ze zich niet eens kón laten afleiden door al dat beweeglijke grut om haar heen dat het stilzitten na een paar minuten al meer dan zat moet zijn geweest. De gezichten van de jongens zijn dan ook aanzienlijk minder scherp afgebeeld dan dat van hun moeder. Het jongste kind hangt onderuit gezakt op de schoot van zijn moeder en lijkt bijna in slaap gesukkeld. Zijn broers kijken verveeld alle kanten op, behalve recht in de camera.
Dit familieportret, gemaakt door een onbekende fotograaf, is een juweeltje omdat het in een notedop heel veel vertelt over de oudste vorm van fotografie. Het is een zogenaamde daguerreotypie en te zien in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, dat voor het eerst een overzicht heeft samengesteld van daguerreotypieën uit Nederlandse collecties. Sommige daarvan behoren mogelijk tot de allervroegste fotografische uitingen in Nederland. Uiterst kwetsbaar zijn ze en zelden te zien. Ze zijn zeer gevoelig voor licht en daarom hangen ze in schaars verlichte vitrines in een verduisterde zaal. In Nederland zijn er maar ongeveer zevenhonderd bewaard gebleven, meestal in familiecollecties. De meeste daarvan zijn de afgelopen jaren gerestaureerd in het restauratieatelier van het Nederlands Fotomuseum.
Een selectie hiervan, circa vijftig exemplaren, wordt nu getoond op de tentoonstelling ’Alles is ijdelheid’. Stuk voor stuk zijn het unieke kunstwerkjes, omkaderd met passe-partouts en mooie houten lijstjes die vaak rijkelijk zijn bewerkt. Die omkadering, ook wel behuizing genoemd, vormt een wezenlijk onderdeel van de daguerreotypie, want zonder die bescherming zou er niets van de afbeelding overblijven. De basis van een daguerreotypie is een koperen plaatje met daarop een flinterdun laagje zilver. Als deze wordt blootgesteld aan licht en lucht, verdwijnt de afbeelding binnen afzienbare tijd onder een zwarte laag.
De daguerreotypie is vernoemd naar de Fransman Louis Daguerre, maar de echte uitvinder van deze techniek is Nicéphore Nièpce, die er rond 1820 in slaagde een heliografisch – men sprak toen nog niet van fotografie – beeld op een tinnen plaat te maken. Er werd gezegd dat hij dat ook op verzilverde koperplaten en glas kon. Nièpce werkte enige tijd samen met Daguerre, de ontwerper en schilder van het beroemde Diorama in Parijs, een op doek geschilderd levensgroot panorama. Toen Nièpce overleed, experimenteerde Daguerre verder met de metalen plaat. Het verhaal gaat dat hij min of meer bij toeval ontdekte dat een gepolijste, met een zoutoplossing bewerkte zilveren plaat na blootstelling aan kwikdampen spiegelende beelden levert. Hij kon die beelden behouden door ze te spoelen in de pekel. Met dit nieuwe medium, door de Fransen bestempeld als gift aan de mensheid, dwong hij eeuwige roem af. Maar hij kwam er al snel achter dat zijn ontdekking erg gevoelig was voor aanraking, licht en lucht en dat het beeld gemakkelijk met een doekje kon worden weg gepoetst. Met een glasplaatje ervoor en omkaderd met een papieren passe-partout kon de afbeelding behouden blijven.
Zo’n twintig jaar is deze techniek toegepast en gaandeweg werd de behuizing van de daguerreotypie steeds steviger en mooier, wat ook de kostbaarheid van het kleinood benadrukte. Door de hoge kosten en de ingewikkelde apparatuur heeft de daguerreotypie in Nederland nooit een grote vlucht genomen. Alleen welgestelden konden zich een foto permitteren. Ook de lange opnametijden waren een probleem, al kwam daar met een meer licht doorlatende lens en het optimaliseren van de lichtgevoeligheid van de plaat wel verbetering in. Dat nam niet weg dat je in de studio toch altijd met je hoofd in de klem moest om een scherpe portretfoto te krijgen.
ln de jaren zestig van de negentiende eeuw verdween de daguerreotypie van het toneel. Vanaf dat moment werd gebruik gemaakt van de calotypie, de voorganger van het fotograferen met een negatief. Pas in 1888, na vele tussenliggende verbeteringen in materiaal, werd met de uitvinding van de rolfilm door de firma Kodak fotografie voor iedereen bereikbaar. Foto’s kon je vanaf dat moment reproduceren, wat met de daguerreotypie niet mogelijk was. Dat was altijd een uniek en exclusief product, dat vaak binnen de familie bewaard bleef. Ook met het portret van Johanna Cornelia Polvliet-Boonzajer en haar vijf zonen was dat decennialang het geval, tot het in bezit kwam van de Universiteitsbibliotheek in Leiden. En nu is de familie Polvliet niet alleen te zien in het Nederlands Fotomuseum, maar over de hele wereld, dank zij de door het Nederlands Fotomuseum ontwikkelde en zojuist gelanceerde website www.daguerreobase.org. Daarop kunnen daguerreotypieën worden geregistreerd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.