De Braziliaanse journalist Mario Sabino werd geboren in 1962; hij is hoofdredacteur van Veja, het belangrijkste weekblad van zijn land, en debuteerde in 2004 - vrij laat dus - als schrijver met deze beknopte roman. Daarna publiceerde hij een verhalenbundel, waarvoor hij de Clarice-Lispector-prijs van de Biblioteca Nacional ontving. Een tweede roman is inmiddels gereed.
Al op de eerste bladzijden van de roman doodt de hoofdpersoon zijn vader door een klap met een houten knuppel. In het boek vertelt de moordenaar hoe deze vadermoord in de loop der jaren voor hem onvermijdelijk werd.
Gemakkelijk gaat hem dat relaas niet af. En als we onze beweegredenen een beetje fatsoenlijk verwoord denken te hebben, dan is het nog niet zeker dat de ander ons helemaal begrepen heeft.
„Is het u trouwens al ooit opgevallen dat woorden en begrippen alleen kloppen als je wilt aangeven wat anderen is overkomen, nooit jezelf?”, vraagt hij aan de lezer, met wie hij het hele boek lang een denkbeeldig gesprek voert. Hij reageert daarbij vaak ook op diens al even denkbeeldige tegenwerpingen en aanmoedigingen. Herhaaldelijk geeft hij verschillende versies van de gebeurtenissen, die hij soms ook gedeeltelijk of helemaal herroept.
De moeder van de verteller is aan kanker overleden toen haar zoon tien jaar oud was, zoveel is in elk geval zeker. Zijn oppervlakkige vader, een geslaagd zakenman, is een man van de daad in het algemeen en van de geslachtsdaad in het bijzonder. Na de dood van zijn vrouw ontpopt hij zich tot een boemelbaron die het ene jonge vriendinnetje na het andere afwerkt.
Daarentegen lukt het de introverte zoon maar niet om zich over de dood van zijn moeder heen te zetten. Hij kan zijn vader het gemak niet vergeven waarmee deze zich met die gebeurtenis heeft verzoend. Bij wijze van protest stort hij zich op de eenzame lectuur van boeken en op het verwerven van – financieel laag gewaardeerde – eruditie. „Of de boeken mij enigermate gelukkig maakten? Integendeel, ik werd er nog ongelukkiger van. Maar ongelukkig op een bijzondere manier, als iemand die zich ver verheven voelt boven de rest.”
Maar met zijn vers verworven eruditie slaat hij wel zijn verwekker om de oren op de zeldzame momenten dat zij samen zijn. Het is een eerste manier om zijn vader te folteren en te straffen.
Tegelijkertijd werkt hij aan een autobiografisch getinte roman met de titel ’Toekomst’, een filosofisch-erotisch verhaal vol overpeinzingen over de plaats van het kwaad in het leven, dat integraal in het boek is opgenomen. Het biedt de lezer, verhuld in fictie, het begin van een inzicht in de gemoedsgesteldheid waarin de verteller tot zijn daad kwam.
Het laatste deel van het boek onthult wat de verteller uiteindelijk tot zijn daad dreef: het feit dat zijn vader, te midden van al die komende en gaande vriendinnen, één minnares trouw bleef: de vrouw van de verteller. Zij verwacht zelfs een kind van de vader: een koekoeksei in de restanten van het liefdesnestje dat de verteller gebouwd dacht te hebben. En op de laatste pagina volgt dan een laatste onthulling, misschien wel de gruwelijkste van alle: het antwoord op de vraag waarom de verteller de lezer verzocht heeft het manuscript van ’Toekomst’ hardop aan de verteller voor te lezen.
Dat je deze roman in één ruk uitleest is te danken aan het vakmanschap van de pregnante dialogen, aan de vaart, de tegendraadse, scherpe redeneringen, de geraffineerde opbouw, en aan de zwartgallige humor die zich steeds van de menselijke zwakten bewust is, en die aan het slot van het boek op verrassende wijze uitmondt in een dwarse vorm van bijna-tederheid. Er is alle reden om uit te zien naar die tweede roman.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.