*

 

Langs het kruipspoor van trucks en goedkope bussen

Antoine Verbij − 17/01/09, 00:00

Oost-Europa ligt al bijna twintig jaar open, maar of alles er verandert, of in wezen bij het oude blijft, daarover verschillen de meningen. De beroepsreizigers Karl Schlögel en Andrej Stasiuk bezien het gebied althans heel verschillend.

Vanuit Nederland gezien ligt Oost-Europa heel ver weg. Niet gemeten in kilometers – van de Nederlandse grens is het niet eens zeshonderd kilometer naar de Poolse. Ook niet economisch – wie door Oost-Europa reist komt overal ondernemende Nederlanders tegen met een feilloos instinct voor winstgevend nieuwland. Oost-Europa is ver weg in literair en intellectueel opzicht.

De opening van het Oostblok, nu bijna twintig jaar geleden, en de toetreding van de meeste Oost-Europese landen tot de EU hebben bij ons nauwelijks tot een intellectuele toenadering tot de nieuwe partners geleid. Heel anders dan bij onze oosterburen. In de Bondsrepubliek is het nieuwe, uitgebreide Europa een veelbesproken thema en is de belangstelling voor intellectuele en literaire impulsen uit het oosten groot.

Karl Schlögel is een van de vele Duitse intellectuelen die over Oost-Europa schrijven. Hij doet dat al ruim twintig jaar en bezit een grote reputatie. Van die reputatie dringt nu pas, met de bundel ’Steden lezen’, iets in Nederland door. De bundel is een selectie uit de talloze essays die Schlögel schreef over de veranderingen in Oost-Europa sinds de val van het communisme.

Beter bekend in Nederland is de Poolse schrijver Andzej Stasiuk. Van hem verschenen in ons land al drie boeken met literaire verhalen tegen de achtergrond van het nieuwe Europa; deze week ligt ook ’Onderweg naar Babadag’ in de winkel: een bundel reportages van zijn reizen over de Balkan en de Karpaten. De reis eindigt – meer symbolisch dan letterlijk – in het onooglijk kleine gat Babadag, ergens in het verre oosten van Roemenië.

’Steden lezen’ en ’Onderweg naar Babadag’ zijn boeken om bij te googelen, je kunt ze het beste lezen met Google Earth op je scherm, de website die je met duidelingwekkende effecten over de aardbol laat surfen. Van Slowakije naar Transnistrië, van Boekarest naar Vilnius, van Kosice naar Triaspol: klik de steden en dorpen aan die de auteurs bezoeken en je ziet wat Stasiuk bedoelt met leegte en tijdloosheid, en wat Schlögel bedoelt met stedelijke dynamiek en postcommunistische veranderingen.

Want hoewel Stasiuk en Schlögel min of meer hetzelfde gebied bereizen, is het toch alsof ze door twee verschillende werelden trekken. Waar Schlögel steden ziet, architectuur, geschiedenis, verandering, toekomst, ziet Stasiuk dorpen, armoede, verval, verleden, stilstand. Het is vrijwel uitgesloten dat ze elkaar ooit zijn tegengekomen. Stasiuk rijdt met een grote boog om de steden heen, Schlögel heeft nauwelijks oog voor wat zich tússen de steden afspeelt.

Het gebied dat ze bestrijken, ligt ruwweg ten oosten van Berlijn en tast de oostelijke grenzen van Europa af. Schlögel komt tot in Magnitogorsk en Odessa, Stasiuk tot in Triaspol en Tirana. Daar ongeveer houdt voor hen Oost-Europa op. Tot daar reikt het Europa dat is gevormd door Pruisen en Habsburg, door Turkse en Russische overheersers, door twee wereldoorlogen en de Holocaust, door het IJzeren Gordijn en de Europese Unie.

Er is maar één plek waar hun wegen zich zouden hebben kunnen kruisen: op een van de vele bazaars. Na de ineenstorting van het communisme zijn overal bazaars uit het niets ontstaan. Voor Schlögel zijn het vitale kernen waar de transformatie van Europa haar beslag krijgt. Voor Stasiuk zijn het oorden waar aloude rituelen zich herhalen.

Schlögel: „Het nieuwe Europa groeit niet door de krachttoeren van politici, maar in de moleculaire processen, waardoor het leven van miljoenen mensen verandert. Een van de belangrijkste schouwplaatsen daarvan is de bazaar. (...) De aanblik van de markten is overweldigend. Tentensteden, enorme pleinen waar het zwart ziet van de mensen, vol modder, stof, vuil, geduw en gedrang van honderdduizenden.”

Stasiuk: „Op de bazaar was alles wat de mensen nodig hadden om te leven. Broekriemen en vergulde mais, potjes voor het marineren en vaten om in te maken. Overal speelde muziek. De vrouwen zaten onbeweeglijk met hun armen gekruist in hun schoot boven hun handel. Net als thuis of op een bankje bij de poort. Ik zag sowieso weinig gebaren en veel simpel wachten.”

Hoe kunnen twee beroepsreizigers, want dat zijn Schlögel en Stasiuk, op dezelfde plekken zulke verschillende dingen zien?

Schlögel observeert als een etnoloog en historicus. Bazaars, zegt hij, ontstaan overal waar een systeem instort en mensen op zichzelf zijn aangewezen. Ze zijn de eerste fase van de transformatie naar een nieuwe orde. In Polen zijn ze inmiddels al weer goeddeels verdwenen, in Oekraïne en Moldavië floreren ze nog volop. Dat zegt meer over de ontwikkeling van die landen dan welk EU-rapport ook, betoogt Schlögel overtuigend.

Stasiuk lapt die hele transformatie aan zijn laars. Daar waar ze evident is beschrijft hij de treurnis ervan. In de Moldavische hoofdstad Chisinau zie hij „meisjes met blote buiken, op hemelshoge en wankele hakken (...), een Romaans-Slavische mengeling van schoonheid, verpest door bordeelachtige make-up, de imitatie van een wereld die ergens anders is.”

Stasiuk kijkt literair. Achter zijn schrijftafel herinnert hij zich globaal wat hij heeft gezien. Soms herinnert hij zich zelfs niets meer. Dan moet hij, zoals hij schrijft, ’alles opnieuw verzinnen’. Hij weet dat het niet zo was zoals hij het nu beschrijft. En toch geeft zijn beschrijving precies weer wat hij heeft waargenomen. De vrouw op de boerenkar, de mannen die langs de weg naar de koeien kijken, de gek op het plein met wie hij op keizer Franz Josef proost.

Het titelverhaal van Stasiuks reisimpressies, ’Onderweg naar Babadag’, mondt uit in een hartstochtelijke liefdesverklaring aan ’zijn’ Oost-Europa. „Ja, ik hou van de Balkanbaaierd, die Hongaarse, Slowaakse, Poolse baaierd, die wonderlijke zwaartekracht van de materie, dat laat maar waaien, dat rustige zuipen op het midden van de dag en die mistige blikken die moeiteloos door de werkelijkheid heen dringen en onbevreesd openstaan voor het niets.”

Schlögel ziet een fundamenteel ander Oost-Europa. Een ander dan Stasiuk maar ook een ander dan ’Brussel’. „De bazen van de Europese eenwording praten over het Europa van de verschillende snelheden, maar in werkelijkheid bepalen niet zij het tempo.” Het tempo komt van de mensen die overal spontaan in beweging komen, die met hun handel of arbeidskracht over de grenzen trekken. „De kruipsporen van de trucks, de treinen, de goedkope bussen, de goedkope vliegtuigen zijn de lijnen waarlangs Europa zich verenigt.”

Net als Stasiuks ’Onderweg naar Babadag’ is Schlögels ’Steden lezen’ een liefdesverklaring aan Oost-Europa, aan de veerkracht en vitaliteit van zijn bewoners. Soms een ietwat naïeve liefdesverklaring, maar dat compenseert de auteur met zijn precieze waarnemingen, die de kleinste details van een straat, een plein, een gevel hun plaats geven in het rijke verleden en heden van Europa. Het boek is verplichte lectuur voor alle geborneerde Europa-sceptici.

Jammer is dat veel stukken in Schlögels bundel al zo oud zijn. Met die stukken kan de huidige reiziger niet veel aanvangen. Schlögel schrijft over het Kaliningrad van 1992. Hij schrijft over de kaalslag in het voormalige Königsbergen en de monsterlijke gebouwen die de Russen er hebben neergepoot. Die stad is inmiddels onherkenbaar veranderd. Het Moskouse kapitaal is er neergestreken. En met Duits geld is er veel hersteld dat aan vroeger herinnert.

Desalniettemin is ook dat stuk de moeite waard. Als een moderne stadsarcheoloog speurt Schlögel met oude kaarten in zijn hand naar de contouren van het ooit zo rijke, burgerlijke leven. Hij volgt groepjes oude Duitse toeristen, die de weg terugzoeken die ze vroeger van huis naar school aflegden. Hij probeert zich voor te stellen wat de filosoof Hannah Arendt nu van haar geboortestad zou vinden, de stad die heel het destructieve potentieel van de door haar beschreven totalitaire eeuw over zich heen heeft gekregen.

Reizen is een kunst. Stasiuk en Schlögel verstaan die kunst. Ieder op hun eigen manier kijken ze door de werkelijkheid heen naar wat hen raakt, of dat nu het verleden is, het altijd gelijke, (Stasiuk), of de toekomst, het altijd veranderende, de eeuwige transformatie (Schlögel). En voor wie het midden zoekt tussen verleden en toekomst, is er altijd nog Google Earth, waar de wereld in een oneindig heden is stilgezet.

mailIcon print |