Appie Baantjer wordt vandaag tachtig jaar. En vandaag verschijnt ook zijn zestigste politieroman: 'De Cock en geen excuus voor moord'. Aan omzien of vooruitkijken heeft de oud-rechercheur geen behoefte: ,,Ik beschouw mijn leven als een kabbelend beekje, lekker gezellig.''
Appie Baantjer krijgt zoveel journalisten over de vloer, dat hij in zijn Medemblikse villa een apart perskamertje heeft ingericht. Daar is het warm en knus, met eiken meubels, een Perzisch tapijtje op tafel en een indrukwekkende verzameling oorkondes en prijzen. Het kamertje heeft wel iets van het dranklokaal van Smalle Lowietje, waarin alleen een geavanceerde televisie met flat screen detoneert. Kijk, dat is een bijkomend voordeel van schrijven, zegt Baantjer: ,,Als je af en toe een boekje schrijft, dan kun je je wel wat permitteren.''
De oud-politieman heeft op alle vragen een stellig antwoord. Over zijn rijkdom zegt hij: ,,Wat moet ik met geld? Van meer eten krijg je een vette pens. En met vreemde vrouwen dollen doe ik niet.'' En dus zet hij de royalties van zijn boeken (ruim 400.000 verkochte exemplaren per jaar) maar gewoon vast op de bank. Waarom hij als politieman ooit met schrijven begonnen is? ,,In processen-verbaal kon ik mijn gevoelens niet kwijt.'' En de beschrijving van zijn schrijfstrategie luidt: ,,Ik leg gewoon ergens een lijk neer en dan zie ik wel.''
Baantjer dankt zijn immense populariteit aan de beroemde hoofdpersoon van zijn politieromans: rechercheur De Cock ('met ceeooceekaa') van politiebureau Warmoesstraat. Die werd geboren op een zondagmiddag, toen Baantjer aan de verzetsnaam van zijn collega De Haan dacht. Le Coq.
Zijn eerste politieroman verscheen in 1963: 'De Cock en een strop voor Bobby'. Sindsdien bestrijdt de grijze speurder onvermoeibaar de misdaad, samen met zijn jonge collega Vledder. Zij opereren in een geruststellende wereld, waarin de hoeren nog Blonde Klaartje heten en de dienders het gajes gewoon opsluiten in de petoet.
Baantjer: ,,Toen ik met De Cock begon, bestonden er nog geen milieudelicten, geen DNA-testen, geen allochtonen, en werden er weinig drugs gebruikt.'' Natuurlijk sluipt er tegenwoordig wat moderniteit in Baantjers boeken; zo filosofeert Vledder in roman nummer 59 over een politieauto met GPS-routeplanner. Maar in grote lijnen is De Cocks wereld onveranderd gebleven en overzichtelijk.
Elke roman bevat ook dezelfde ingrediënten: De Cock heeft moeie voeten, hij drinkt een borrel bij Smalle Lowietje en maakt ruzie met commissaris Buitendam. Baantjer: ,,Ik mag ook geen item weglaten, want dan krijg ik ruzie met mijn lezers.''
De Cock zelf is een man van stavast, een aardige oom aan wie iedereen graag zijn problemen toevertrouwt. Hij heeft een 'wat corpulente habitus' en een 'naar tradities hunkerende ziel', hij sloft meer dan hij loopt en soms is hij wat brommerig. Maar nooit laat hij een zaak 'zakken', hij grijpt de boeven telkens weer.
Zo is De Cock en zo moet hij blijven, vindt Baantjer. Daarom heeft hij voor de tv-serie 'Baantjer' -waarvoor anderen de scenario's schrijven- ook laten vastleggen dat zijn held intact blijft: ,,De Cock mag niet vloeken en niet schelden en je zal hem ook niet van het ene bed in het andere zien duiken. De Cock moet gewoon een gezellige vent blijven.''
Aan research doet Baantjer niet: hij tikt gewoon een paar keer tegen zijn voorhoofd 'en dan weekt er wel wat los'. Wel gaat hij voor ieder boek een keer naar Amsterdam, op zondagochtend, om te kijken hoe de Wallen erbij liggen: ,,Topografisch moet je geen foutjes maken.''
Onderwerpen haalt hij verder uit zijn eigen rijke ervaring als politieman, of uit zijn fantasie: ,,Mijn kracht is: ik ben goed in associaties. Geef mij een onderwerp en ik kom er wel. Ik heb ook nooit een writersblock.'' Hij schrijft graag over sektes. Dat komt door zijn Urker achtergrond: ,,Mijn oom had een eigen kerkie, mijn neef had een kerkie; dat sektarische ligt me wel.'' Er zijn ook onderwerpen waarover hij pertinent niet wil schrijven: seksualiteit bijvoorbeeld (,,Seks moet je doen, daar moet je niet over schrijven.''). En De Cock zal ook niet gauw tegen fundamentalistische moslims aanlopen: ,,Daar begin ik niet aan. Ik wil geen enkele groepering tegen me in het harnas jagen.''
Baantjer loopt altijd een paar deeltjes voor; onlangs heeft hij zijn 63e boek bij zijn uitgever ingeleverd. Hij piekert er niet over om te stoppen met schrijven, al wordt hij straks dan tachtig jaar: ,,Ik stop pas als God mijn geest versluiert.''
Elke ochtend om elf uur kruipt hij achter zijn computer, puur voor zijn plezier: ,,Dan verkneuter ik me terwijl ik listen en lagen voor mijn lezers leg. Da's mooi hè, vier keer 'l'. Taal is een heerlijk ding.'' Spannende boeken van andere Nederlandse schrijvers leest hij overigens nooit: ,,Dan word ik maar jaloers. Ik vind altijd dat andere mensen veel mooier schrijven dan ik. Maar ja, ze verkopen niet, hè.''
Op verzoek wil de schrijver best een rondleiding geven door de villa die hij tien jaar geleden liet bouwen. Door de gangen, waarin foto's hangen van zijn tv-optredens bij Tineke en Paul de Leeuw. Door zijn werkkamer, met kasten vol Baantjers in exotische talen. En door de bijkeuken, waarin zijn enorme verzameling treinwagons en locomotieven staat. ,,Treintjes zijn haast nog mooier dan de mooiste vrouw.'' In zijn tuin ligt bijna tweehonderd meter spoor te glimmen, langs alle randen van het gazon. Treinen zijn net mensen, zegt Baantjer: ze moeten niet te hard door de bocht rijden, want dan ontsporen ze. ,,En wij moeten ook maar hopen dat we op het juiste station aankomen.''
Hij heeft een mooi leven hier in Medemblik, aan de rand van het IJsselmeer, samen met zijn vrouw Marretje en hun hond Nassa. Als hij niet schrijft of met zijn hond wandelt, dan is Baantjer vaak druk met allerlei nevenactiviteiten: de pers te woord staan, aan tv-spelletjes meedoen, winkels en cafés openen. Er is eigenlijk maar één vraag die hem blijft intrigeren, een vraag waarop hij ook op deze hoge leeftijd nog geen antwoord heeft: ,,Wat is de basis van mijn succes?''
Zijn uitgever zegt wel eens: 'Appie, als ik een succesformule zou kennen, dan was ik nu schatrijk geweest.' Wat Baantjers geheim nu precies is, waarom er al zes miljoen van zijn boeken over de toonbank zijn gevlogen, dat weet niemand. Baantjer zelf ook niet, die voelde zich in het begin juist heel onzeker over zijn verhalen: ,,Ik ben pas in mezelf gaan geloven toen ik veel verkocht.''
Zijn lezers vreten intussen de avonturen van De Cock, ze verzamelen alle delen, ze kunnen vaak niet wachten tot het volgende boek verschijnt. En in het leven van sommige fans speelt de schrijver heel prominente rol. Wekelijks ontvangt Baantjer vijf à zes brieven vol persoonlijke sores en ontroerende eerbewijzen. Er zijn lezers die hun kind naar De Cock of Vledder vernoemen of die Baantjer dolgraag als getuige van hun huwelijk zouden zien. En dan was er nog die mevrouw die zo verliefd werd op De Cock -lang voordat Piet Römer hem een gezicht gaf- dat zij haar eigen man het huis uit gooide: 'Het is eigenlijk zo dat De Cock mij objectief heeft leren kijken naar mijn man en dat ik me toen realiseerde dat hij toch niet de man was met wie ik mijn leven lang wilde verder gaan'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.