*

 

’Dit is vooral voor kinderen bestemd’

Co Welgraven − 27/03/10, 00:00

’Ik ben gestopt met werken op 31 maart 1991 en de volgende dag ben ik gaan zitten schrijven, achter elkaar door, als een waterval, soms tot drie uur ’s nachts. Ik keek niet naar punten of komma’s, daar had ik geen tijd voor.

Het stond ook barstensvol taalfouten. Alles uit de oorlog kwam terug, het was bij vlagen emotioneel. Terwijl ik tot die tijd de emoties behoorlijk van me af had kunnen houden, dat was ook een kwestie van overleven. Een hele goeie vriend van me, die is pakweg vijf, zes jaar geleden overleden, zwolg in de narigheid, die stond er mee op en ging er mee naar bed. Ik zei altijd tegen ’m: ’weet jij wat het verschil tussen ons is? Hitler heeft van jou gewonnen, en van mij verloren.’

Drie maanden heeft het schrijven geduurd, toen was het klaar en ging het de kast in. Want ik had helemaal niet de behoefte om het uit te geven. Mijn schoonzoon, die had het al vier keer gelezen, die begon er altijd over: waarom ga je er niet mee naar een uitgever? Dat deed ik echter steeds niet. Maar toch, op een gegeven moment gaat een mens opruiming houden - ik ben inmiddels over de tachtig - en toen kwam ik die grote, bruine enveloppe met dat verhaal erin tegen en ik dacht: wat gebeurt hiermee als ik straks dood ben? Ik heb het toen naar het Niod gestuurd, en ik kreeg als reactie: zo gedetailleerd en verbeeldend als u het schrijft, hebben wij het nog niet gelezen, de lezer zit meteen midden in een razzia.

Mijn boek begint met een lijst van al mijn familieleden, 42 mannen, vrouwen en kinderen die in de oorlog zijn omgebracht. Die lijst heb ik ooit eens gemaakt omdat ik zelf een overzicht moest hebben van wat ik eigenlijk allemaal achter me heb gelaten.

Maar meneer, ik weet nog wel een paar meer families te noemen, hoor. U moet eens op internet kijken. Er zijn websites, daar hoef je maar op een naam te klikken en dan zie je hoeveel mensen in één familie er niet meer zijn. Het is onvoorstelbaar, onvoorstelbaar. We hadden honderdduizend Joden in dit land toen de oorlog begon, vijf jaar later waren er vijfduizend over.

Weet u dat wij ons na de oorlog allemaal schuldig voelden, dat we het overleefd hadden? Een verjaardag, daar ging je niet naar toe, want lachen, dat hoorde niet, meneer, je had geen reden om blij te zijn. Vroeger zeiden mensen tegen me: ’ben jij de enige nog? Dan heb jij geluk gehad.’ Maar dan had die persoon geluk gehad, want ik kon ’m wel vermoorden als-ie het zei. Als ik een ongeluk lees in de krant waarbij een gezin is omgekomen en er blijft één kind over, dan zeg ik altijd: ach, wat jammer. Ik vind dat heel erg. Niemand beseft wat er in zo’n kind omgaat.

Het is niet te geloven hoeveel reacties ik krijg, dat had ik absoluut niet verwacht. Mensen zijn diep onder de indruk, noemen het verpletterend. Het eerste telefoontje dat ik kreeg was van iemand die zei: ’wilt u bij ons op school komen en over uw boek praten?’ Er zijn er al meer geweest. Dat gaat allemaal gebeuren de komende tijd, ik ga al die scholen af.

In de boekhandel, en op internet, staat het bij de boeken voor volwassenen, dat vind ik erg jammer, het lijkt wel of het voor kinderen wordt weggehouden. Terwijl ik het voor hen misschien nog wel belangrijker vind dan voor volwassenen. Ik vind dat ze het moeten weten wat er in de oorlog gebeurd is. Je kunt kinderen nergens voor sparen, en dat moet je ook niet willen, want daar krijg je alleen maar watjes van. We moeten ze waarschuwen. Als ik om me heen kijk en zie wat er allemaal voor ellende gebeurt, dan kunnen we niet genoeg van dit soort verhalen de wereld injagen.’

mailIcon print |