Sven Olov Karlsson schreef een sterke en ontroerende debuutroman over aftakeling, angst voor kanker en het grote zwijgen van al wie met deze ziekte wordt geconfronteerd.
Al vrij snel in ’De Italiaan’, de debuutroman van de Zweed Sven Olov Karlsson (1971), begrijpen we dat er iets helemaal mis is met Karl-Erik Andersson, de keuterboer-monteur uit het Zweedse boerendorp Sveddet in ülsvarta, die vanwege zijn exotische uiterlijk door het leven gaat als ’De Italiaan’. De man heeft longkanker, een ziekte die aanvankelijk nog goed uitpakt, maar in de loop van het verhaal steeds erger wordt, als een uitgezaaide hersentumor hem van zijn spraak berooft en zijn persoonlijkheid verandert.
Dat proces wordt in ’De Italiaan’ indringend beschreven, waarbij we geregeld terugblikken op Karl-Eriks jeugdjaren. Die groeit op onder het juk van zijn dominante moeder Anna: zij vindt dat haar zoon maar niet moet gaan studeren, omdat succes ’bij anderen afgunst wekt en hoogmoed bij jezelf’. De handige ’Italiaan’ neemt dan maar genoegen met een baan in een garage, waar hij zijn verdere leven auto’s zal repareren, terwijl hij na werktijd thuis de boerderij runt. Hij huwt met Anna-Lena, gaat naar aloude traditie bij zijn ouders inwonen en krijgt twee zonen: Peter en Sören.
Toch is hij niet het prototype van de patriarch die zijn gezin onder de plak houdt. Integendeel.
De schrijver neemt ruim de tijd om de persoonlijkheid van de Italiaan te schetsen. Het is een zachtaardige man, altijd bereid om te helpen, altijd bemoedigend tegenover zijn zonen, weinig veeleisend tegenover zijn vrouw. Mogelijk is die karaktertekening al te flatterend, maar Karlsson houdt het toch geloofwaardig, mede door luchtige scènes, zoals die van het rij-examen dat eindigt met een in het raam geklemde examinator. Ook de omschrijving van het vakmanschap van de monteur, die de gebreken van een wagen enkel op basis van de geur en het geluid kan benoemen, is grandioos, zelfs voor wie niets met auto’s heeft.
Die hilarische luchtigheid steekt schril af bij de angst waarmee ziekte en dood omgeven zijn. Bovenal contrasteert het beeld van de sterke figuur die de Italiaan altijd is geweest met dat van de door kanker aftakelende schim.
Toch brengt Karlsson ook de ziektegeschiedenis zonder vals sentiment. Zo is de Italiaan typisch een boer die nooit zeurt. Zelfs als hij moet worden geopereerd, beweert hij dat hij er ’niets mee zit’.
Maar als het eenmaal bergaf gaat met hem, blijven zijn talrijke vrienden weg. Dat gegeven wordt pijnlijk aan de orde gesteld: „Is het zijn stomheid of is het de ziekte waar zijn vrienden van weglopen?” Ergens formuleert de auteur alle rechtvaardigingen die de vrienden verzinnen om niét langs te komen. Het is geen fraaie lijst.
Dat de Italiaan met zijn aangetaste hersenen gelooft dat zijn lichaam door buitenaardse wezens in bezit is genomen, is minder overtuigend. Het is een gezochte gedachte, die weinig geloofwaardig overkomt voor een boer uit ülsvarta. Bovendien voegen deze passages niets toe, ze verzwakken het verhaal juist.
Toch behoren deze episodes tot het weinige wat je kunt afdingen op deze roman, waarin de aftakeling, de angst voor de ziekte en het grote zwijgen van al wie ermee wordt geconfronteerd, ontroerend worden vertolkt. Veel meer dan een ’klacht’ over het wegblijven van vrienden en kennissen, zoals de flap suggereert, is ’De Italiaan’ de lofzang van een zoon op een pracht van een vader. De lof van de auteur suggereert dat die zoon wel eens Sven Olov Karlsson zelf zou kunnen zijn: „Ik moet rouwen en herdenken. Het is te laat om hem nog ergens mee van dienst te zijn. Behalve met schrijven.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.