Joseph Luns is een prachtonderwerp voor een doorwrocht boek. Jammer genoeg komt zijn biograaf te weinig los van de dossiers.
Tijdens een bezoek aan de Sovjet-Unie in 1964 was Joseph Luns ervan overtuigd dat zijn hotelkamer werd afgeluisterd. In die wetenschap begon hij tegen zijn vrouw de hartelijkheid van de bevolking tegenover haar leiders te prijzen. Daarna zei hij dat hij kaviaar verwachtte als afscheidscadeau. Het werkte. De Nederlandse minister van buitenlandse zaken kreeg vier blikken mee naar huis.
Dit is het soort verhaal waar een lezer het eerst aan denkt bij een biografie van de kleurrijke Joseph Luns (1911-2002). Albert Kersten strooit er niet mee. Dat is een te rechtvaardigen keuze. Eerdere publicaties over de politicus leken soms wel moppenboeken, waarbij anekdotes het zicht op de ware gebeurtenissen ontnamen.
Kersten, emeritus hoogleraar diplomatieke geschiedenis, concentreert zich op zijn oude specialiteit. Luns zat lang op Buitenlandse Zaken. Bij zijn afscheid werkten er mensen op het ministerie die nog geboren moesten worden op het moment van 's mans aantreden. Alle belangrijke beleidskwesties komen uitgebreid en afgewogen aan bod. De relatie met Indonesiƫ en de strijd over het niet aan die republiek overgedragen Nieuw-Guinea slokken daarbij de meeste ruimte op.
Luns komt naar voren als minder eendimensionaal dan de bijna karikaturale reactionair die vaak van hem is gemaakt. De politicus zat geharnast in zijn conservatieve en nationalistische denkbeelden, maar bezat zeker bij onderhandelingen met buitenlandse ambtgenoten wel degelijk het vermogen tot wendbaarheid. Hij speelde het diplomatieke spel met plezier en hard. Luns wist vooraf wat hij wilde bereiken en hield daar zoveel mogelijk aan vast. Als het nodig was, liep hij langs de rand. Toegeven deed de minister pas op het allerlaatst.
De bewindsman profiteerde van zijn rijzige gestalte en zijn bonhommie, die hij erfde van zijn vader. Zijn grappen hielpen soms om onderhandelingen de gewenste wending te geven.
Naar Kerstens boek werd lang uitgezien. Hij had jarenlang de exclusieve toegang tot het persoonlijke archief van Luns, wat hem op kritiek van sommige collega-historici kwam te staan.
Als biografie schiet de dikke pil tekort. Kersten is beter in het tot leven brengen van dossiers dan in het tot leven brengen van de mens Luns. De auteur geeft behoorlijk wat aandacht aan diens worstelingen met zijn gezondheid en hypochondrie. Ook zijn bijna kinderlijke blijheid met onderscheidingen en gebruik van lintjes als smeermiddel richting naties die de Nederlandse zaak steunen komen geregeld aan bod. Maar verder komt de mens achter de politicus er wat bekaaid vanaf. Luns werd lid van de KVP om minister te kunnen worden en zegde het lidmaatschap op bij zijn overstap naar de Navo. Kersten kijkt naar de motivering van toen, geeft een eigen verklaring, maar verzuimt om zich af te vragen wat dit over het karakter van zijn hoofdpersoon zegt.
Luns’ adellijke echtgenote Lia en hun twee kinderen blijven figuranten. De achttien jaar die hij nog had te gaan na zijn afscheid als secretaris-generaal van de Navo worden afgedaan met minder dan een pagina. Terwijl het op zijn minst aardig was geweest om even stil te staan bij ‘s mans reactie op het einde van de Koude Oorlog, het conflict dat zijn loopbaan en zijn denken beheerste.
Misschien nog wel bezwaarlijker is de geringe ruimte die de biograaf neemt om zijn hoofdpersoon in diens tijd en het politieke klimaat van die jaren te plaatsen. Pas in de tweede helft van zijn boek gaat Kersten wat meer helikopteren boven het door hem verzamelde materie. Dan laat hij mooi zien hoe Luns worstelde met de veranderende tijdgeest. In zijn ogen gaven maatschappijkritische jongeren autoriteiten per definitie ongelijk en maakten ze de weg vrij voor een ’socialistisch, maar in werkelijkheid anarchistisch-dictatoriaal stelsel’. Partijgenoten die deze vernieuwers flink tegemoet kwamen, stuitten bij Luns op onbegrip.
Vanaf pakweg 1963 moest Luns zich ook steeds meer verantwoorden. Ministers op andere departementen bemoeiden zich steeds vaker met zijn beleidsterrein. En ook de Tweede Kamer zat Luns nauw op de huid. Die ergerde zich als Realpolitiker aan de vaak gebrekkige kennis, het doorgeschoten idealisme en al te rozige wereldbeeld van zijn criticasters.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.