De nieuwe romans van Carlos Fuentes en het jonge talent Guadalupe Nettel beginnen veelbelovend. Beide schrijvers kiezen voor opmerkelijke personages.
’Of we blijven lachen, of de realiteit maakt ons een kopje kleiner. Want om in ons geliefde Mexico te overleven, heeft men zonder enige twijfel een dosis onnadenkendheid nodig, een beetje lef, een snuifje cynisme en veel, veel, erg veel gevoel voor humor.”
Dat stelde de Mexicaanse columniste Gabriela Warkentin in een recente column in de Spaanse krant El País. Daarbij gaf ze een concreet voorbeeld: in Ciudad Juárez, de grensstad bij de Verenigde Staten waar de drugs- en mensenhandel welig tiert, opereerde enige tijd een drugsbende die slachtoffers onthoofdde en het hoofd in een koelbox bewaarde. Dat leidde in de stad tot wel erg lugubere humor. Als je bij iemand op bezoek kwam en de gastheer bood je iets te drinken aan, dan vroeg die wel eens: wat wil je het liefst, een fris hoofdje of een fris biertje?
Toch, zegt Warkentin, is humor onontbeerlijk in een Mexico dat verwoest en getergd wordt door de strijd tegen de drugshandel. Het leger heeft grenssteden zoals Ciudad Juárez volledig bezet, maar de veiligheid neemt niet bepaald toe. Dat komt onder meer doordat de corruptie tot diep in de Mexicaanse samenleving is doorgedrongen. Politie, justitie, politiek – alles en iedereen is ermee besmet.
In de roman ’De wil en het lot’ van Mexico’s grootste hedendaagse schrijver Carlos Fuentes (Panamá, 1928) komen al deze problemen aan de orde. Fuentes is altijd al een schrijver geweest die zich intens bekommerde om het lot van zijn land en de politieke ontwikkelingen nauwgezet volgde. Tegelijkertijd heeft hij zich nooit laten verleiden tot eenduidige, geëngageerde literatuur. Fuentes is een echte virtuoos in zijn vak, zijn barokke taalgebruik is doorspekt met gelaagde metaforen en spitsvondige woordspelingen. En vooral: hij geniet ontzettend van de taal, van alle bokkesprongen die hij daarmee kan maken. Schrijven is bij hem genieten, het lijkt wel een erotisch spel.
Ook ’De wil en het lot’ begint als een eersteklas meesterwerk. In de proloog komt Fuentes alweer met een ingenieus vertelstandpunt op de proppen. Dit keer gaat het niet om een ongeboren foetus die ons toespreekt, zoals in een van zijn vorige romans, maar om het afgehakte hoofd van Josué Nadal dat aan de kust van de Atlantische Oceaan aanspoelt. „Ik kijk zonder iets te zien. Ik ben bang om gezien te worden. Ik ben wat je noemt niet ’prettig’ om naar te kijken. Ik ben het duizendste hoofd dat dit jaar in Mexico is afgeslagen. Ik ben een van de vijftig onthoofden per week, de zevende van vandaag en de enige van de afgelopen drie uur en een kwartier. De opkomende zon weerkaatst in mijn opengesperde ogen. Mijn hoofd bloedt niet meer. Een dikke vloeistof druipt uit de hersenmassa op het zand. Mijn oogleden zullen zich nooit meer sluiten, alsof mijn gedachten de aarde zouden blijven doordrenken.”
Het afgehakte hoofd van Josué vertelt ons in de loop van de roman over zijn turbulente relatie met Jericó, aanvankelijk zijn wapenbroeder, zijn onafscheidelijke wederhelft. Beide jongens hebben een mysterieuze achtergrond: ze weten niet wie hun vader is, noch wie in hun levensonderhoud voorziet of waarom ze bepaalde richtingen ingestuurd worden. Beetje bij beetje scheiden zich hun wegen: Josué gaat in dienst bij de grootste ondernemer van Mexico, Jericó wordt persoonlijk secretaris van de president.
Spijtig genoeg zijn de respectieve loopbanen van het duo vervolgens aanleiding voor ellenlange passages over de rol van economie en politiek in Mexico. Op zichzelf niet oninteressant, maar ze vertragen het boek en ze geven het een net iets te belerend, dogmatisch tintje. Soms lijkt het alsof je een politiek essay aan het lezen bent.
Gelukkig herpakt Fuentes zich tegen het einde van het boek, waar de relatie tussen Josué en Jericó weer centraal komt te staan, maar dan wel in een heel ander licht: haat, afgunst en jaloezie zijn tussen hen in geslopen. Liefde – wat anders? – heeft hun vriendschap doen ontaarden in een soort van Kaïn-en-Abelrelatie, waarbij uiteindelijk niemand wordt gespaard. Ook in de epiloog toont Fuentes zich weer van zijn allerbeste kant. Alle draden van het verhaal komen meesterlijk samen, een profetische visie over de stad Mexico wordt verkondigd.
Dat brengt ons bij een andere roman, ’De gast’ van Guadalupe Nettel (Ciudad de México, 1973). Zij is een van Mexico’s jongste talenten, die in binnen- en buitenland al veel lof heeft geoogst. Ook ’De gast’ begint veelbelovend. Het is het verhaal van een meisje, Ana, dat er rotsvast van overtuigd is dat er ’een ding’ in haar woont, een demonische stem die het allerslechtste in haar naar boven haalt. Aanvankelijk is dat portret bijzonder indringend: als lezer kruip je helemaal in de huid van de jonge Ana, je voelt hoe ze verscheurd wordt door haar twee persoonlijkheden en hoe ze haar duivelse ik niet in bedwang heeft. Op geen enkel moment verliest de vertelster het perspectief van een klein meisje; haar uiterst subjectieve maar getergde blik op de werkelijkheid heeft een bevreemdend effect.
Het gaat mis in het tweede deel, waar de intieme blik op de wereld verloren gaat en Ana zich aansluit bij het – letterlijk – ondergrondse verzet. Als decor kiest Nettel de Mexicaanse metro uit; daar, in de ingewanden van de stad, bevindt zich een goed georganiseerde anti-kapitalistische protestbeweging. Een groep bedelaars, daklozen en minderbedeelden bereidt er in alle geheimzinnigheid acties voor tegen het establishment.
Gaandeweg verliest de roman zijn magie. De verscheurde blik van het kleine meisje op een vijandige wereld wordt ingeruild voor een militante allegorie, waarbij de Mexicaanse metro net iets te simplistisch symbool staat voor de revolutionaire marges van de maatschappij.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.