Nederland is rijk bedeeld met ambitieuze debutanten. Maar Arthur Wevers springt eruit, door zijn verbluffende technisch vernuft.
Debutanten kun je moeilijk verwijten dat ze niet meteen een meesterwerk schrijven. Je bent al blij als ze een eind komen en veel ’beloven’ voor de volgende keer. Zo valt er nog veel te verwachten van Marente de Moor, die debuteerde met ’De Overtreder’: een bars debuut over Russische klaplopers in Amsterdam. Of van Erik Jan Harmens, die zich als dichter al bewezen heeft en ook een overrompelende debuutroman heeft geschreven: ’Kleine doorschijnende man’.
Verder is er kort geleden één debutant geweest die het etiket ’veelbelovend’ eigenlijk ontduikt: hij beheerst de literaire trucjes, maar het is totaal niet te voorspellen wat hij daarmee zal bereiken. Het is de mystery guest onder de debutanten, een soort gemaskerde schrijver: Arthur Wevers.
Zijn debuut ’Bittergarnituur’ heeft eigenlijk niets dichterlijks. Sterker nog, het is een tergend plat, puberaal verhaaltje over een ik-figuur die bezig is aan een autobiografische roman in sonnetten en die vreemdgaat met de vriendin van bijfiguur ’Arthur Wevers’. Zijn eigen geliefde schopt hem het huis uit en waar kan hij logeren? Uitgerekend bij die Arthur Wevers, die het bedrog lijkt te vermoeden, maar er niets over zegt. Later jagen ze op hetzelfde meisje.
Het lijkt in elk opzicht op het zoveelste spreektalige pulpdebuut van een Jan Cremer-navolger, op dat ene detail na: dit debuut is geheel en al in sonnetten gevangen. Sonnetten die bovendien nergens stroef klinken en dwingen tot doorlezen. Het is haast niet te geloven.
Dus krijg je passages als deze, wanneer de ik-figuur zich ongemakkelijk voelt met een meisje in de keuken: „Ik nam beide kommetjes, kwakte de champignons en uien in de pan, roerde alles goed dooreen en pakte toen de fles cognac, schonk er een scheut van in de pan en stak alles in de fik. Zodra het vuur gedoofd was voegde ik peper, zout en meer van dat soort dingen aan onze maaltijd toe en we gingen naar de kamer, die wel iets vredigs had. Esther Krol ging zitten – en toen ik daar uiteindelijk recht tegenover haar op Wevers’ runderleren bankstel zat, toen daalde er voor mijn gevoel ook weer een zekere kalmte in mezelf neer.”
Geleuter, maar het past precies in het gareel. Je vraagt je af wat er gebeurt als Wevers zijn techniek gebruikt voor een minder holle geschiedenis. Eigenlijk is hij half gedebuteerd is, hij heeft één teen in de literaire zee gestoken.
Maar als hij zijn volgende boek uitbrengt, wil ik het zeker lezen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.