*

 

Herinneringen, kun je die kopen?

Hanna de Heus − 06/02/10, 00:00

In zijn bijzonder geslaagde ideeënroman ’Dat wat overblijft’ voert Tom McCarthy een dertiger op die bij een ongeluk zijn geheugen is kwijtgeraakt. Het ruim bemeten smartengeld verleidt hem tot drastische stappen.

  • Nu hij schatrijk is, koopt hij een hele flat op. (FOTO REUTERS )

Je beheerst je vak pas goed als de regels durft los te laten en kunt improviseren. In ’Dat wat overblijft’ doet de Britse debutant Tom McCarthy (1969) alles wat eigenlijk uit den boze is: zijn personages ontwikkelen zich niet, er zit geen subplot in zijn boek, het verhaal bestaat uit eindeloze herhalingen, bijna driehonderd bladzijden lang, en elke vorm van spanning ontbreekt. En toch is het een goed boek, omdat McCarthy de regels niet voor niets doorbreekt. De vorm valt samen met de inhoud.

Een nergens bij naam genoemde dertiger heeft een ongeluk gehad. Er is iets uit de lucht gevallen en daardoor is hij geraakt. Wat er precies is gebeurd, blijft onduidelijk, maar het heeft hem een gigantische schadevergoeding van acht en een half miljoen pond opgeleverd.

Het revalidatieproces is zwaar. Niets gaat meer automatisch: als hij een stap wil zetten, moet hij eerst bedenken hoe hij zijn knie moet buigen en hoe zijn armen moeten meezwaaien. Hij moet alles eerst snappen, voordat hij het kan doen. Dat geeft hem het gevoel overal buiten te staan. Alles wat hij doet is bedacht, en dus niet langer spontaan of soepel.

Totdat hij een scheur in een badkamermuur ontdekt, die hem in gedachten terug voert naar eenzelfde scheur die hij ooit in een ander gebouw zag, en even voelt hij zich in de herinnering weer één met de wereld om zich heen.

Op dat moment besluit hij zijn enorme kapitaal te besteden aan het heropvoeren van die ene herinnering. Hij koopt een heel flatgebouw, richt dat volledig in zoals het gebouw uit zijn herinnering, en huurt mensen in die moeten doen wat de mensen uit zijn herinnering deden: zo moet een buurman urenlang pianospelen, en een buurvrouw levertjes bakken of de vuilniszak buiten zetten. Als de hoofdpersoon het gebouw ’aan’ zet, moeten deze mensen hun handelingen eindeloos herhalen, zodat de hoofdpersoon zich al die tijd ’authentiek’ kan voelen. De precisie waarmee deze obsessie beschreven wordt is adembenemend.

Door de handeling in een soort loops te beschrijven, doet McCarthy in feite hetzelfde als de hoofdpersoon die de handelingen steeds maar laat heropvoeren: de schrijftechniek illustreert hier het verhaal.

Het eigenaardige is natuurlijk dat de hoofdpersoon zich pas echt voelt, als hij deelneemt aan een opvoering, een volkomen kunstmatige werkelijkheid. Dat roept vragen op als ’wat is echt en wat is onecht?’, ’kan een kopie de werkelijkheid vervangen?’ en ’kan een kopie beter zijn dan het origineel?’ Dat zijn natuurlijk vragen die je ook over fictie kunt stellen, of over kunst in het algemeen. Fictie en beeldende kunst zijn immers ook heropvoeringen en interpretaties van de werkelijkheid.

Dat zal McCarthy zeker niet zijn ontgaan: hij schreef, naast deze roman, veel essays en artikelen over literatuur, filosofie en kunst. Toen alle grote uitgeverijen zijn roman weigerden, stopte hij met schrijven en werd beeldend kunstenaar. Inmiddels is het toch nog goed gekomen met zijn boek en schrijft hij weer. Gelukkig maar, want een auteur die een ideeënroman durft te schrijven in plaats van een traditioneel verhalende roman, en die vorm en inhoud zo mooi laat samenvallen, heeft ongetwijfeld nog veel meer te bieden dan alleen dit onconventionele debuut.

mailIcon print |