*

 

Knokkend naar ’t Witte Huis

Peter van Nuijsenburg − 06/02/10, 00:00

Over de winnaar Barack Obama valt niet zoveel te vertellen; recent verschenen Amerikaanse campagneboeken richten zich vooral op de drama's in het kamp van de vele verliezers.

  • Tijdens een campagnebijeenkomst in New Hampsire klapt Barack Obama  voor zijn rivaal Hillary Clinton, die hij op het nippertje versloeg. (FOTO EPA)
    Tijdens een campagnebijeenkomst in New Hampsire klapt Barack Obama voor zijn rivaal Hillary Clinton, die hij op het nippertje versloeg. (FOTO EPA)
  • Tijdens een campagnebijeenkomst in New Hampsire klapt Barack Obama  voor zijn rivaal Hillary Clinton, die hij op het nippertje versloeg.
    Tijdens een campagnebijeenkomst in New Hampsire klapt Barack Obama voor zijn rivaal Hillary Clinton, die hij op het nippertje versloeg.

Het is inmiddels zo vanzelfsprekend dat we al bijna zijn vergeten hoe uitzonderlijk de verkiezing van Barack Obama tot president van de Verengde Staten is.

Een zwarte Amerikaan, met een in deze tijd lastige tweede voornaam, Hoessein, en een politieke staat van dienst die makkelijk op een A-viertje paste, overwon in de race naar het Witte Huis niet alleen de daaruit vloeiende (voor)oordelen maar klopte en passant ook het hele politieke establishment.

Nog even ter herinnering: toen de campagne eind 2007 op stoom kwam, wist iedereen wie de kandidaat voor de Democraten zou worden. Hillary Clinton had de buit eigenlijk al binnen. Ze moest de marathon van voorverkiezingen, de caucuses en primaries, doorstaan, omdat dat nu eenmaal onvermijdelijk was, maar de zaak had ook schriftelijk kunnen worden afgedaan. Haar voorsprong in de polls was zo groot dat de andere Democratische kandidaten in de geschiedenis van de campagne hooguit als voetnoten zouden figureren. Toegegeven, Obama was een groot talent, intelligent, cool en een meeslepend spreker, maar 2008 kwam voor hem te vroeg. Hij was te groen en, het was niet netjes daarop te wijzen maar toch, zwart. Het land was nog niet rijp voor een president met een afwijkende huidskleur.

Hoe deze ijzeren consensus op zijn kop werd gezet, wordt gedocumenteerd in ’Barack Obama, de kandidaat’ van Richard Wolffe en ’Race of a Lifetime’ (’De race van zijn leven’) van John Heilemann en Mark Halperin. Alle drie zijn gelouterde verslaggevers en kenners van de Amerikaanse politiek. Wolffe’s boek is goed, dat van Heilemann en Halperin geweldig.

’Barack Obama’ is een gedegen campagnebiografie, geen hoogtepunt in het genre, maar informatief en goed geschreven. Wolffe heeft onmiskenbaar sympathie voor de held maar ook een open oog voor zijn zwakke punten. Zijn boek bevat geen opzienbarende en nauwelijks nieuwe inzichten.

Het overlapt voor een deel het werk van Heilemann en Halperin, dat verslag doet van het hele circus, niet alleen het koningsnummer Obama, maar ook de minder geslaagde optredens van de Clintons, Hillary en Bill, John Edwards (de derde Democraat) en de Republikein John McCain en zijn assistente op het te slappe koord, Sarah Palin. Heilemann en Halperin hebben met meer dan tweehonderd mensen gesproken, van wie er veel dankzij de garantie van anonimiteit meer en minder rancuneus uit de school hebben geklapt. ’Race of a Lifetime’ is een doorwrochte reportage en leest als een superieure roddelkroniek.

De aan Obama gewijde hoofdstukken voegen weinig toe aan het door Wolffe geschreven portret. Deels omdat bij een winnaar nu eenmaal minder zure druiven kunnen worden geoogst, maar vooral omdat het drama bij de verliezers soms epische en soms groteske vormen aannam.

Hillary Clinton begon aan de race met twee duidelijke en een minder zichtbare handicap. Ze had vóór de bij de Democratische basis impopulaire oorlog in Irak gestemd, ze was binnen en buiten de partij omstreden, en dan was er Bill. De aanwezigheid van de ex-president zou in haar voordeel moeten werken. Een politiek genie, met een geweldige antenne voor de stemming onder het electoraat en een formidabele campaigner. Hij had helaas een niet weg te poetsen makke, zijn libido. In ’Hillaryland’ was men permanent beducht voor onthullingen over Bills uitbundige driftleven.

Zonder dit probleem had Hillary al zorgen genoeg. Haar campagne bleek slecht georganiseerd, stafleden gunden elkaar het licht in de ogen niet en er werd op gigantische schaal geld doorheen gejaagd. En dan waren er al snel twijfels of de kandidate wel uit het presidentiële hout was gesneden. Hillary kon niet met tegenslagen omgaan. Na de onverwachte nederlaag in de eerste caucus, in Iowa, ging ze zo tekeer, dat een campagnewerker dacht: ’die vrouw mag nooit president worden’. Na lezing van ’Race of a Lifetime’ ben je geneigd hem gelijk te geven.

Dat geldt in nog sterkere mate voor de twee andere hoofdrolspelers, John Edwards en John McCain. Bij Edwards, in 2004 running mate van John Kerry, wordt het drama een soap. Hij werd aanvankelijk als Hillary’s grootste rivaal gezien, maar in no time trapte hij in alle valkuilen waar een kandidaat maar in kan trappen. Hij blijkt een onverbeterlijke egotripper die zijn kansen chronisch overschat. Hij begint een affaire met een new age wijsheden uitkramende groupie en is de enige die denkt dat het geheim blijft. Intussen staat zijn huwelijk op springen. Zijn vrouw Elisabeth heeft kanker, het leed wordt breed uitgemeten en de hele natie lijdt mee. Maar de ’heilige Elisabeth’ blijkt een feeks die met haar uitbarstingen elke sympathie bij de medewerkers van haar man weet te verspelen. Dat er nog zoiets als een campagne werd gevoerd, mag een wonder heten.

Voor John McCain is de campagne een trieste zwanenzang geworden. Ooit een baken van onafhankelijkheid in een steeds rechtser wordende partij, nog net geduld door een rabiate achterban, probeert hij nu diezelfde basis te paaien door zijn oorspronkelijke opvattingen te verloochenen. Nergens wordt die knieval pijnlijker dan in de keuze van Sarah Palin, de onervaren gouverneur van Alaska, als running mate. Hier gaat alles mis wat mis kan gaan.

Palin voldoet aan alle eisen van de reli-rechtse achterban, tegen abortus, homohuwelijk, voor de doodstraf, tegen stamcelonderzoek, voor de oorlog in Irak, noem maar op. Verder heeft ze nauwelijks enige notie van wat er in de wereld buiten Alaska gebeurt. De stafleden die haar moeten klaarstomen voor interviews en het debat met Joe Biden, Obama’s man voor het vicepresidentschap, zijn wanhopig. De interviews worden een ramp. Palin dreigt weg te zinken in een depressie en wordt min of meer aan haar lot overgelaten. Pas in gezelschap van haar gezin veert ze weer op. Tenslotte mag ze alleen nog optreden voor eigen parochie, maar voor McCains geloofwaardigheid bij een groter publiek is de keus voor haar de doodsteek.

Vergeleken bij al deze commotie en turbulentie is Obama’s campagne vrijwel gespeend van wereldschokkende drama’s. Als er al iets onaangenaams opduikt, weet zijn staf, maar vooral de kandidaat zelf, dit het hoofd te bieden. Wanneer de woeste anti-Amerikaanse tirades van dominee Jeremiah Wright, de voormalige huispastor van de Obama’s, aan het licht komen, en de rassentegenstellingen een thema dreigen te worden, grijpt Obama in. Zijn rede in Philadelphia is het meesterstuk van de campagne. De bom die zijn kansen aan flarden had kunnen blazen, wordt gedemonteerd. Maar het is meer: een briljante verhandeling over het rassenconflict in de VS. Zelfs in het Clinton-kamp dringt het door dat Obama de juiste man kan zijn.

Dat besef wordt versterkt als de kredietcrisis uitbreekt. Obama begrijpt net als McCain weinig van de ondoorgrondelijke wegen van Wall Street. Terwijl McCain het spoor bijster blijft, de vraag waar hij ’s avonds met zijn vrouw zal eten belangrijker lijkt te vinden dan een briefing, laat Obama zich van alle kanten informeren. In een op verzoek van McCain belegde bijeenkomst over de dreigende catastrofe met alle kopstukken van beide partijen, inclusief president Bush, zwijgt McCain en imponeert Obama niet alleen zijn partijgenoten.

De vraag die zich na lezing van ’Race..’ en vooral ’Barack Obama’ opdringt is of het portret van Obama niet te flatteus is. Tijdens de campagne doet hij zelden iets verkeerd. Hij is soms te nonchalant, vaak te zelfverzekerd, - hij wordt Zwarte Jezus genoemd door medewerkers -, maar hij is zich daarvan bewust, staat open voor kritiek en weet zichzelf te corrigeren.

Obama’s eerste jaar in het Witte Huis was geen doorslaand succes. De verwachtingen waren vermoedelijk te hoog gespannen. Maar zijn campagne leert dat hij in staat is op tijd de koers te verleggen. Bij tegenwind was hij op zijn best. Dat kan zeker niet gezegd worden van Clinton, Edwards en McCain.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />