’Het idee om dit boek te schrijven is voortgekomen uit ergernis en verveling. Een paar jaar geleden verhuisde ik met mijn gezinnetje van het westen naar Noord-Groningen. Ik kreeg een baan in de stad Groningen en moest elke dag met de trein van en naar Uithuizen.
Dat was net in de tijd dat Arriva, de treinvervoerder in Friesland en Groningen, was overgestapt van de bekende geelblauwe Wadloper naar de roodwitte Spurttrein. Die had nogal wat kinderziektes: de trein stopte regelmatig plotseling tussen stations, was vaak te laat, kon de hoeveelheid mensen niet aan; er was bijna elke dag wel wat. Dat ik te laat op m'n werk kwam - soms wel een uur - was lastig, want ik zat in m'n proefperiode. Ik heb een keer geklaagd bij Arriva, en toen kreeg ik een keurige brief terug: er zouden nieuwe treinen komen, maar dat kon nog wel twee jaar duren. Dus we moesten nog twee jaar in die ellende reizen. Toen dacht ik: hier ga ik iets mee doen. Bij de Hema heb ik een pak schriften gekocht, en ik ben elke dag gaan opschrijven wat er onderweg gebeurde met het idee: dit wordt een soort geschiedschrijving van de vertraging op het Hogeland. Dat heb ik een jaar gedaan. Het was heel erg prettig: als het meezat en de trein op tijd reed, was ik ook op tijd op m'n werk, maar als er veel gedoe en vertraging was, dan had ik weer stof voor m'n boek.
Toch is het geen klaagdagboek geworden, het is veel eerder een boek over de mensen die in de trein zitten. Je zou het als een studie van de Hogelandster forens kunnen zien. Dag in, dag uit heb ik aantekeningen gemaakt, zonder dat iemand het door had. Ik zat gewoon in m'n schriftje te schrijven, en keek af en toe naar buiten. Ik had voortdurend m'n oren gespitst, nam mensen goed op, zag wat ze deden en hoorde waarover ze praatten. Ik was getuige van intieme, genante gesprekken over het liefdes- en seksleven tot in alle details, het is echt heel opmerkelijk dat mensen zo weinig omgevingsbewustzijn hebben.
Je zit natuurlijk vaak met dezelfde mensen in de dezelfde trein. In mijn boek komen enkele tientallen forensen steeds weer terug. Ik geef ze ook bijnamen. Een man die altijd een paar blikjes bier bij zich had, vertelde eens dat-ie vroeger banken had beroofd, die heette voor mij de drinkende bankrover uit Usquert.
In de binnenflap heb ik een citaat opgenomen van de neuropsycholoog David Lewis: ’Forensen ervaren meer stress dan gevechtspiloten of politieagenten in moeilijke situaties.’ Dat is natuurlijk behoorlijk overdreven. Maar als een trein ineens een noodstop maakt, of je staat een half uur lang met twintig mensen samengepakt op een paar vierkante meter, dan zijn dat toch wel stresssituaties waar je niet op zit te wachten. Ik vond dat citaat wel een mooie metafoor.
Het boek is leuk om te lezen voor de forensen tussen Roodeschool en Groningen, die herkennen zichzelf en de andere reizigers die ik beschrijf, en de conducteurs en de machinisten natuurlijk. Maar de inhoud is ook herkenbaar voor al die honderdduizenden mensen die elders in Nederland dagelijks in de trein zitten op weg naar hun werk of school. De spelletjes die forensen met elkaar spelen, de trucjes, de typische treindingetjes van voordringen en een extra plaats bezet houden, dat zie je natuurlijk overal, of je nou tussen Leiden en Schiedam treint, of tussen Geleen en Venlo. Het grote woord van dit boek is de herkenbaarheid.
Nee, ik heb nooit overwogen om weer in de stad Groningen te gaan wonen. Want dan zou ik dat mooie landschap missen, die prachtige besneeuwde akkers en boerderijen. Bovendien: Arriva heeft de boel inmiddels prima op orde.’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.