Hoe kom je ertoe anderen zonder pardon te doden? Peter Godwin, opgegroeid in koloniaal Rhodesië, laat zien hoe geweld ontmenselijkt. Toch is ’Mukiwa’ geen loodzwaar boek.
Jarenlang heeft de Engelse, maar in Rhodesië opgegroeide journalist Peter Godwin (1957) zijn jeugdtrauma’s verdrongen. Het ontstaan van zijn ’Mukiwa’ (‘witman’) getitelde coming-of-age memoires beleefde hij als het wegkrabben van complete lagen emotioneel littekenweefsel. De wonden daaronder: de blanke identiteit, de rassenverhoudingen, het kolonialisme, de vervreemding en zelfvervreemding, kwamen zo geleidelijk aan het licht.
Het proces was pijnlijk, maar ook bevrijdend. Er ontstond een beeld van de manier waarop een blanke, in Afrika opgroeiende jongen gevormd pleegde te worden. Maar ook van de geschiedenis van een land dat er na de dekolonisatie niet in slaagde op eigen benen te staan.
Met twee andere kinderen is Peter Godwin afkomstig uit een, politiek gezien, liberaal milieu. Zijn ouders hadden het te druk met hun carrière om zich al te zeer bij hun drie kinderen betrokken te voelen. Hij werd dan ook op zeer jonge leeftijd ondergebracht in een verafgelegen kosthuis. De Godwinkinderen werden niet alleen blootgesteld aan emotionele verwaarlozing, maar ook aan de gevaren van muskieten, nijlpaarden, krokodillen, slangen en luipaarden. Het is dus niet vreemd dat zijn ouders Peter een geweer gaven. ’s Avonds lag het geladen onder zijn bed en tijdens vakanties nam hij het mee als hij hielp het vee te hoeden.
’Dood’ is een sleutelwoord in Godwins herinneringen. Hij vertelt hoe hij zijn als arts werkzame moeder vergezelde op haar rondgang langs klinieken waar lange rijen van ernstig zieken geduldig moesten wachten, en hoe hij getuige was van lijkschouwingen waarbij het zijn taak was de vliegen te verjagen.
Cruciaal is een ervaring die dateert van zijn zesde jaar: de confrontatie met het dode lichaam van buurman Piet, die in een hinderlaag was gelokt en vermoord. Hij lag op zijn rug; het benen handvat van het mes waarmee hij was omgebracht stak uit zijn borst. Hoewel het interetnische geweld pas zeven jaar later in volle omvang zou uitbarsten, maakte deze gebeurtenis Peter bewust van de problemen in zijn land. De daders hadden immers een brief vol spelfouten achtergelaten: „Dit is het werk van de Klokodillenbende. We zullen blijven vechten tot alle witte klonisten vertrokken zijn en wij ons land terug hebben.” Tegelijk besefte hij dat het geweld van twee kanten kwam. Toen hij na de begrafenis met de zoon van Piet naar huis reed, vertelde die hoe zijn oom eens ’een kaffer’ had doodgeschoten. „Maar dat was niet erg, want hij had een vergunning”
De alledaagse gast die de dood in Godwins kinderdagen is, dient zich opnieuw aan wanneer hij eenmaal volwassen is en als dienstplichtig soldaat betrokken raakt in de keiharde strijd tegen de zwarte guerrillastrijders. „In het raam van de hut ving ik even een blik op van de weerspiegeling van een gezicht.... Het was een angstaanjagend gezicht, getekend door woede en wanhoop. Het was het gezicht van iemand die bereid was een ongewapende burger voor het achterhouden van informatie te vermoorden. Het was mijn gezicht.”
Godwin beschrijft dit vervreemdings- en ontmenselijkingsproces zo treffend dat de lezer er tot eigen verbijstering zowaar begrip voor krijgt. Ook vestigt hij de aandacht op de inwisselbaarheid van namen en etiketten, die zich ten tijde van oorlog nog sneller voordoet dan in vredestijd. De geweldplegers die aanvankelijk worden aangeduid als boeven, zijn voor de ene partij terroristen en voor de andere vrijheidsstrijders. De verwarring die dat veroorzaakt, wordt concreet telkens wanneer hij wordt geconfronteerd met beelden van de voormalige leider van de Klokodillenbende die naderhand als oorlogsheld wordt gezien en het tot staatssecretaris van paramilitaire zaken heeft gebracht. Telkens wanneer Godwin hem tegenkomt, moet hij denken aan het mes in de borst van Oom Piet. Maar aan de andere kant verheimelijkt hij niet dat hij gemakkelijk in staat geweest zou zijn om de blanke leider Ian Smith dood te schieten. Die was immers eerstverantwoordelijke voor de oorlog.
Goed gedoseerde humor en ironie zorgen ervoor dat deze memoires een speelse kant houden, in overeenstemming met de kinderlijke mentaliteit waarmee Godwin zich ondanks het leeftijdsverschil weet te identificeren. Maar dat betekent niet dat de verschrikkingen waarover wordt bericht er minder beklemmend door worden. Het contrast van de humor maakt de (her)beleving juist intenser, bijvoorbeeld in de episode waarin Peters moeder een geval van zelfmoord moet onderzoeken. Bij die gelegenheid zegt Peters vader: „Jij bent de bomenklimmer van de familie... Klim jij maar in de boom om het touw door te snijden.” Als het lijk op de grond valt met het achterwerk omhoog, begint Peter onbedaarlijk te lachen. „Het was een harde, stinkende scheet, waar maar geen einde aan kwam. Het was alsof hij alle leven uit zichzelf blies.”
Niet alleen de humor relativeert de gruwelijkheden; de esthetische beleving van de natuur speelt daarin een even belangrijke rol. Op de plek waar Oom Piet vermoord is, met het dode lichaam in zijn buurt, ondergaat Peter een magnifieke zonsopgang. „Het ene ogenblik is het nog donker en wanneer de aarde dan nog een klein stukje draait is het ineens ochtend. En de ochtend heeft geen geheugen.”
Godwin zelf ziet ’Mukiwa’ als een eerbetoon aan Afrika. Maar elke idealisering is daar vreemd aan. En dus blijven we onthutst en met een zeker gevoel van bitterheid achter, te meer daar we zoveel jaar later en vele tienduizenden doden verder weten dat Zimbabwe er nog helemaal niets op is vooruitgegaan, integendeel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.