De dood van een ouder laat een mens ontredderd achter. De dagboeknotities van de Franse schrijver Barthes leggen de subtielste nuances van zo’n rouwproces vast.
De Franse filosoof en letterkundige Roland Barthes was 62 jaar oud toen zijn moeder op 26 oktober 1977 stierf. Een zware slag, want hij had zijn leven lang met haar samengewoond. In de jaren na haar overlijden maakte hij aantekeningen over zijn herinneringen en gevoelens, op enkele honderden systeemkaartjes die getuigen van zijn ontreddering en weerloosheid. Ze werden het afgelopen jaar in Frankrijk postuum uitgegeven (Barthes overleed zelf in 1980) en zijn nu in het Nederlands vertaald.
Roland Barthes was wereldberoemd, en niet alleen in Parijs. Zijn bekendste boek is ’Mythologieën’, dat dateert uit de jaren vijftig. Daarin gaf hij met superieure ironie zijn onthullende en humoristische visie op fenomenen als het - in Frankrijk zeer populaire - ’catch-worstelen’, de steak-frites of de toen gloednieuwe Citroën DS, bij ons indertijd ook bekend als ’de snoek’. Geamuseerd legde Barthes uit waar die verschijnselen voor staan, welke waarden we er onbewust mee verbinden. Daarnaast publiceerde hij in de loop der jaren boeken over literatuur, de mode, Japan, de fotografie en over zichzelf.
In alle geschriften die Barthes bij zijn leven publiceerde, hanteert hij een rijk, afgewogen Frans waarin hij, meestal op speelse manier, probeert deuren te openen naar de subtielste nuances van het denken. Wie Barthes leest heeft vaak een boek lang de prettige gewaarwording intelligenter te zijn dan hij eigenlijk is.
Maar wie zijn laatst overgebleven ouder verliest, is het doorgaans te moede alsof een stormvlaag het dak boven zijn hoofd heeft weggerukt. Een gevoel van kinderlijke geborgenheid, de rustgevende zekerheid verankerd te zijn, valt voor altijd weg. „Rouw (depressie) is iets heel anders dan een ziekte. Van wat zou men willen dat ik genees?”, schrijft Barthes vrijwel meteen na het overlijden van zijn moeder. En als rasschrijver noteert hij al diezelfde dag, maar op een ander kaartje: „Wie weet? Misschien iets van waarde in deze aantekening?”
Waarde hebben deze aantekeningen zeker. Ze zijn ongepolijst, niet geredigeerd, en hun kracht ontlenen ze juist aan die niet-uitgewerkte, rauwe en lapidaire vorm. De notities uit de eerste dagen zijn bijna stamelingen. Verbeten noteert Barthes van alles, herinneringen, gewaarwordingen, gevoelens, om maar zoveel mogelijk te kunnen vasthouden.
Het is een Barthes zoals wij hem niet kenden. Een Barthes wiens denken, dat anders altijd zo vruchtbaar was, verlamd ronddraait in kringetjes. Ook banale aspecten van zijn gemis noteert hij gewetensvol: „Eenzaamheid = thuis niemand hebben tegen wie je kunt zeggen: ik kom zo en zo laat thuis of naar wie je kunt bellen (zeggen): daar ben ik, ik ben weer thuis.” Zelfs regelrechte sentimentaliteit gaat hij niet uit de weg. Zo schrijft hij op 16 februari 1978: „Vanochtend nog steeds sneeuw, en op de radio Duitse liederen - Wat een droefenis! - Ik denk aan de ochtenden waarop ik niet naar school ging omdat ik ziek was en waarop ik het geluk had bij haar te blijven.” En steeds is er de herinnering aan de woorden „Mijn Roland! Mijn Roland!” waarmee zijn moeder hem zo vaak begroette.
Iets verderop stelt Barthes vast: „Ik verveel me nu overal.” Hij voelt zich ’een verwoeste persoon, ten prooi aan tegenwoordigheid van geest’.
Natuurlijk leert Barthes, zoals vrijwel iedereen, uiteindelijk met zijn verdriet te leven, en legt hij zich min of meer neer bij het inzicht dat voortbestaan, na een zeker omslagpunt in het leven, betekent dat je steeds meer verliest. De aantekeningen worden geleidelijk ook minder frequent en elegischer van toon, al kan de pijn altijd plots opspelen .
Bij elk verblijf in het Frans-Baskische plaatsje Urt, waar de familie een zomerhuisje had, bezoekt hij trouw het graf van zijn moeder. Maar als hij ervoor staat, weet hij niet wat hij moet doen: „Bidden? Wat wil dat zeggen? Welke inhoud? Simpelweg de vluchtige aanzet tot de totstandbrenging van intimiteit. Ik ga dus meteen weer weg.”
Allengs groeit het gemis van zijn moeder uit tot een aanwezigheid in Barthes zelf. Maar bijna twee jaar na haar dood eindigen de aantekeningen met de niet-afgemaakte verzuchting: „Er zijn zulke droevige ochtenden...”
Het is een roerend boek, en bovendien prachtig uitgegeven, vlekkeloos vertaald, zorgvuldig en liefdevol geannoteerd, en van een informatief nawoord voorzien.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.