*

 

Reizigers die zich door een dampende jungle worstelen

Marinus de Baar − 30/01/10, 00:00

Natuuronderzoekers kwamen vroeger weleens in de verleiding hun ervaringen in de jungle flink aan te dikken. Anne Troelstra weet daar fijntjes doorheen te prikken. Hij stelde een onderhoudende bundel met natuurhistorische reisverhalen samen, zonder diepgaande analyses of wetenschapshistorische verklaringen.

  • 'De mooiste reuzencactus.' Ingekleurde foto van W.T. Hornaday uit 1909. (FOTO UIT BESPROKEN BOEK)
  • 'De mooiste reuzencactus.' Ingekleurde foto van W.T. Hornaday uit 1909.

Een troep rode franjeapen beweegt zich met veel lawaai door de kronen van een aantal reusachtige bomen, ergens in Liberia (Afrika). Een schot klinkt, maar aanvankelijk kan de schutter door de rook niet zien of het raak was.

De aap zit onbeweeglijk op een boomtak, klemt zich vast en houdt zich misschien dood, maar tuimelt na een tweede en een derde schot toch omlaag. „De sprekende, diep treurige gelaatsuitdrukking van een stervende aap, zijn verwijtende en toch smekende blik hebben telkens een diepe indruk op mij gemaakt []”.

De schutter was Johann Büttikofer (1850-1927), die na zijn natuurhistorische omzwervingen nog geruime tijd directeur is geweest van de Rotterdamse dierentuin (de latere diergaarde Blijdorp). Büttikofer was zo geroerd door de doodsuitdrukking van zijn franjeaap dat hij er geen meer heeft geschoten.

Anderen hadden minder scrupules. Hans Schomburg (1880-1967) ging er prat op 63 olifanten te hebben neergelegd en achthonderd stuks groot wild. Een Liberiaanse stam gaf hem de naam van ’Bwakukama’, wat zoveel betekent als ’Heer olifant die elk struikgewas doorbreekt’. Die bijnaam kreeg hij omdat hij inlandse dragers die vaak lui en onwillig waren, stevig aanpakte. Als op een gegeven moment zijn dragers niet op zijn bevelen reageren en nog liggen te slapen, pakt hij zijn revolver en schiet een aantal keren op hun hut, waarna de dragers bliksemsnel tevoorschijn komen. Bovendien geeft hij een van hen, een notoire raddraaier, nog een flink pak slaag. En dan kan ’Heer olifant’ op weg. „Onderweg geniet hij van het tropisch landschap”, vervolgt de auteur Troelstra droogjes zijn verhaal.

’Kolibries in de oren’ is een bundel natuurhistorische reisverhalen van de geëmeriteerde hoogleraar in de grondslagen van de wiskunde, Anne Troelstra, die qua professie met deze verhalen dus ook ver van huis is. Maar laat meteen gezegd zijn dat het hem goed afgaat. Zijn bedoeling is het om te boeien en te bewaren, dat wil zeggen: om onderhoudend te vertellen en om althans op papier en in de verhalen van verre reizigers te bewaren wat er aan soorten in de natuur verloren gaat.

Die reisverhalen van vroegere natuuronderzoekers vormen zijn voornaamste bron. Troelstra houdt daarbij zijn kritische afstand en constateert dat sommige natuurhistorici hun verhalen opsmukten of ronduit bij elkaar logen. Zo vertelt ene Vollmer over zijn bezoek aan de Duitse consul in Batavia, die op zich liet wachten maar waarbij Vollmer de tijd weet te korten met een allerliefst meisje van gemengd bloed dat levende kolibries in haar oorringen had. Een ‘leugensprookje’, meent Troelstra, want levende kolibries, die in Nederlands-Indië zelf niet voorkomen maar kennelijk geïmporteerd zijn en zo goed afgericht dat ze in die oorringen bleven zitten, dat vraagt wel erg veel goedgelovigheid van de lezer. Gelukkig behoort dat tot de uitzonderingen, maar het geeft aan dat Troelstra niet klakkeloos alles overneemt.

Troelstra’s bedoeling om te boeien is alleszins geslaagd, vooral ook omdat hij rijkelijk citeert waar zijn reizigers een tropische plantenpracht beschrijven, vertellen hoe ze door een olifant tussen diens slagtanden op de grond worden gedrukt en bijna worden verpletterd, of verhalen hoe ze in een ravijn door plotseling stijgend rivierwater worden verrast en enkel dankzij een uitstekende rotsrichel zichzelf en hun spullen weten te redden.

Bepaald indrukwekkend is wat de Rus Przjevalski (1839-1888), bekend van het naar hem genoemde paard, vertelt over de ijzige hoogvlakten van Centraal-Azië. Desolate steppen, een troosteloze natuur, en ’vreugdeloze vlakten’, waar mensen en lastdieren met ijspegels behangen het uiterste van zichzelf vragen. Maar wat een prachtige vergezichten! Przjevalski vertelt hoe hij op een gegeven moment uitzicht had op een dal met zijrivieren en besneeuwde bergtoppen in de verte en zich die dag als een van de gelukkigste van zijn leven zal blijven herinneren.

’Kolibries in de oren’ biedt geen diepgaande analyses, geen wetenschapshistorische verklaringen; dat pretendeert Troelstra ook niet. Wel vele aangename uren in je luie stoel, terwijl de reizigers van toen zich door een dampende jungle worstelen, over een kille hoogvlakte strompelen of bijna verdrinken in een gevaarlijke stroomversnelling.

mailIcon print |