In ’Halfschaduw’ dwalen we rond op een Berlijnse begraafplaats waar veel Pruisische militairen begraven liggen. Onder hen is één vrouw: een vliegenierster die in 1933 zelfmoord pleegde. Zij is de spil van Uwe Timms prachtige nieuwe roman.
Het is een mooie, rustige plek aan de rand van het Berlijnse stadsgewoel. Wie vanaf de Invalidenstrasse het scheepvaartkanaal volgt, kruist na een meter of vierhonderd een grasveld waarover schijnbaar willekeurig een paar grafstenen liggen verspreid. Verder van het kanaal af blijken er meer grafstenen en zelfs grote praaltomben te staan. En dan staat er nog een stuk witgeverfde muur, midden op het terrein, parallel aan het water.
Dat is de Invalidenfriedhof, een van de oudste begraafplaatsen van Berlijn. Door de oorlog al zwaar beschadigd, kreeg het van de DDR de genadeklap. Die bouwde er de Muur dwars overheen.
Sinds de val van de Muur zijn tal van graven en een stuk Muur gerenoveerd. De meeste graven zijn van Pruisische militairen, mensen die hebben gedood en vaak ook zelf zijn gedood. Hier rust de gewelddadige Duitse geschiedenis.
Onder de doden zijn opvallend veel vliegeniers. Allemaal mannen, op één na. Op een eenvoudige zwerfkei staat de tekst: ’Vliegen is het leven waard’. Eronder: ’Marga Wolff von Etzdorf, 1 augustus 1907 – 28 mei 1933’. Een grafschrift dat nieuwsgierig maakt. Een op jonge leeftijd neergestorte vliegenierster?
De Duitse schrijver Uwe Timm voert in zijn jongste roman ’Halfschaduw’ de lezer mee naar de Invalidenfriedhof. Of preciezer: de lezer maakt mee hoe de verteller zich over de begraafplaats laat rondleiden door een persoon die slechts als ’de grijze’ wordt aangeduid. Die weet alles over de graven te vertellen. Meer nog: die weet van wie de stemmen zijn die uit de graven opklinken en die de verteller optekent.
’De grijze’ blijkt zich speciaal in het lot van Marga von Etzdorf te hebben verdiept. Hij heeft zelfs de hand weten te leggen op een sigarettenkoker die zij enige tijd in haar bezit heeft gehad, een sigarettenkoker met een granaatscherf erin. Hij laat 'de koker aan de verteller zien. En dan begint de roman. Want alle doden op de begraafplaats zijn authentiek, hun verhalen zijn in grote lijnen waar gebeurd, maar de sigarettenkoker is verzonnen.
Timms roman bestaat uit flarden van verhalen, verteld door de stemmen uit de graven of door ’de grijze’. Of anders zijn ze door de schrijver opgediept uit documenten of door hem verzonnen. Al die flarden heeft hij aaneengeregen tot een veelstemmig koor, een ’requiem’ voor de Pruisische militaire geschiedenis, zoals Timm zelf ergens zegt. Daar tussendoor weeft hij een liefdesgeschiedenis, waarin de sigarettenkoker een belangrijke rol speelt.
Die liefdesgeschiedenis speelt zich af tussen Marga von Etzdorf en de diplomaat Christian von Dahlem. Von Etzdorf, officiersdochter, heeft haar droom waargemaakt en is al op jonge leeftijd een beroemd piloot geworden. Ze heeft zojuist een van haar recordvluchten voltooid: in elf dagen van Berlijn naar Japan. Daar biedt Dahlem haar logies aan. In zijn Japanse appartement leggen ze zich te ruste.
Door de kamer is een gordijn gespannen dat hun rustplaatsen scheidt. Ze zien slechts de schaduwen van elkaar. Voorzichtig beginnen ze elkaar over hun levens te vertellen. Dahlem deelt zijn sigaretten met haar. Er ontstaat een bijzondere intimiteit. Marga voelt zich sterk tot Dahlem aangetrokken, zijn gevoelens zijn minder duidelijk. Als de sigaretten op zijn, schenkt Dahlem haar zijn sigarettenkoker, die hem ooit het leven redde.
Timm wisselt flarden van hun gesprek af met wat de overige stemmen op de Invalidenfriedhof vertellen.
En dan is er nog de stem van Anton Miller, net als Dahlem een verzonnen personage. In Hitlers oorlog was hij een acteur die aan het front de soldaten vermaakte. Hij heeft von Etzdorf en Dahlem gekend en plaatst vrijmoedige en vrolijke kanttekeningen bij hun verhalen.
Von Etzdorf genoot niet alleen faam als recordpiloot maar ook als brokkenpiloot. Nogal wat vluchten van haar eindigden in een total loss. Daardoor kreeg ze haar recordpogingen steeds moeilijker gefinancierd. Dahlem schiet haar te hulp. Door zijn bemiddeling treedt het kersverse nazibewind op als sponsor. Haar recordvluchten dienen de Duitse zaak, meent het bewind. Bovendien kan ze tegelijk enkele geheime opdrachten vervullen.
Het doel van haar eerstvolgende vlucht is Australië. Bij een tussenstop in de Syrische stad Aleppo maakt ze weer een fout: ze landt met de wind mee. Het landingsgestel raakt zwaar beschadigd, zelf is ze ongedeerd. In het officiershuis vraagt ze of ze zich even mag opknappen. Vanuit de kamer waarin ze zich heeft teruggetrokken, klinken ineens twee schoten. De 25-jarige vliegenierster heeft zichzelf om het leven gebracht. In een afscheidsbrief schenkt ze Dahlems sigarettenkoker aan Miller.
Dat slot vertelt de roman al aan het begin. In de roman gaat het vooral om de motieven. En om de wereld van heldendom en oorlog waarin het vliegen zich afspeelt. Timm schildert die wereld aan de hand van individuele lotgevallen. Details vindt hij belangrijker dan het geheel. Bijvoorbeeld het zingen van Marga wanneer de wielen van de grond loskomen. En dat dan de haren op haar armen overeind gaan staan.
Timm brengt de poëzie in zulke momenten boven, zonder dat hij daarvoor lyrische taal nodig heeft: zijn stijl blijft helder en precies. Maar wat ’Halfschaduw’ vooral tot een prachtig werk maakt, is de vorm. De samenklank van stemmen, van perspectieven, van tonen geeft de lezer het gevoel dat hier niet zomaar een schrijver aan het werk is, maar een heuse taalcomponist.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.