*

 

New York, New York

Julie Phillips − 23/01/10, 00:00

Wat is het echte New York, dat van de snelle carrièremakers, of dat van de losers? Dat van vóór of dat van ná 9/11? Julie Phillips zoekt het antwoord in drie nieuwe New York romans.

  • De Franse koorddanser Petit verbaasde New York door op een koord tussen de twin towers heen en weer te lopen.
  • De Franse koorddanser Petit verbaasde New York door op een koord tussen de twin towers heen en weer te lopen. (BEELD UIT DE FILM ?MAN ON WIRE? )

Er zijn auteurs die hun werk in New York situeren, en er zijn auteurs die de ambitie hebben de Grote New York Roman te schrijven, die de stad willen weergeven met al haar legendarische energie, creativiteit en geldzucht.

Maar als er al zoiets bestaat als de New York Roman, wie krijgen dan de hoofdrol? De bankiers van de Upper East Side? De zwarte intellectuelen van Brooklyn? De de huisbazen, dealmakers, de tippelaarsters, de immigranten? De kunstschilders, de graffiti-artiesten, de toneelspelers? De journalisten, de uitgevers, de advocaten? Het centrum of de rafelranden? Wiens obsessies bepalen de stad? Wie hoort erbij, en wie niet?

Jay McInerney twijfelt geen moment: het hart van New York is Wall Street. Op de allereerste bladzijde van zijn bundel ¿De laatste vrijgezel’, in het verhaal ‘Waar rook is’ uit 1985, doet hij verslag van Manhattan- in de vette Reagan-jaren:

„Die zomer droeg iedereen in New York een gele stropdas. De beurs was aan een lange klim begonnen. Kunstenaars en uitbaters van delicatessenzaken wisselden voorspellingen over de Dow Jones uit terwijl zij samen blackened redfish aten. () Alle productieve energie van de wereld, gecodeerd in binaire elektronische impulsen, stroomde door de torens van downtown Manhattan.”

In zo'n sfeer brak McInerney door als schrijver. In 1984, toen New York net opkrabbelde uit een periode van bankroet en leegstand, publiceerde hij ‘Bright Lights, Big City’, waarin de hoofdpersoon – een anonieme, coke snuivende jonge schrijver die van discotheek naar nachtclub trok - model stond voor een hele generatie die verwoed op zoek was naar succes. De verzamelbundel ‘De laatste vrijgezel’, met verhalen uit zijn gehele carrière, laat zien wat McInerney sinds zijn indrukwekkende debuut zoal heeft beziggehouden.

McInerney is een kolossaal talent, zoveel is wel duidelijk. Hij schrijft buitengewoon toegankelijk en is een meester in het observeren van menselijke gedrag. (De licht spottende toon waarvan hij zich graag bedient werkt trouwens minder goed bij beschrijvingen van ’gewone mensen’.) In een van de verhalen komt een auteur voor die Henry James' lijfspreuk heeft geadopteerd: ‘Probeer iemand te worden wie niets ontgaat.’ Zelf mislukt hij daarin jammerlijk – z’n vriendin bedriegt hem, eerst terloops, later moedwillig – maar McInerney heeft James’ woorden duidelijk ter harte genomen.

Verder staan er een paar mooie verhalen in de bundel over liefde en politiek; vooral ‘Penelope bij de vijver’ (2008), de weeklacht van de maîtresse van een presidentskandidaat, is de moeite.

Maar deze verhalen laten ook zien hoezeer hij McInereney deel is geworden van de door cocaïne en rauw kapitalisme ingegeven nachtmerrie van New York. Zijn werk zo veelbelovend, als de stijging van de aandelenmarkten, maar verviel later in kronieken over rijkdom, sociale status, ambities van uitgevers, huwelijksproblemen van advocaten.

McInerney’s creatieve bron, zijn gevoel voor de tijdgeest, is zo zuiver dat hij die zou kunnen bottelen en verkopen als mineraalwater, maar hij houdt te veel van de excessen van de prestatiemaatschappij. Hij beschouwt zichzelf als een observator en criticaster van zijn tijd, maar hij is er, zoals menig recensent al heeft opgemerkt, misschien eerder een symptoom ervan.

Totaal niet ironisch of geobsedeerd door excessen is Colum McCanns ‘Laat de aarde draaien’. Deze ambitieuze, serieuze en hooggeprezen roman, winnaar van de National Book Award, speelt zich af in augustus 1974, op de dag dat koorddanser Philippe Petit over een gespannen koord tussen de torens van het World Trade Center loopt. Nu is het leven, kun je zeggen, ook een kwestie van balanceren, en dus verhaalt McCann over een breed samengestelde groep New Yorkers die elkaar toevallig treffen op de dag dat Petit boven de stad danst.

McCann, een Ier die in New York woont, heeft in zijn vijfde roman duidelijk geprobeerd een caleidoscopisch beeld te schilderen van New York en de New Yorkers in de jaren dat de stad in verval was. Zijn personages komen, zoals dat heet, uit alle rangen en standen: een zwarte prostituee uit de Bronx, een rijke blanke vrouw van Park Avenue, een jonge schilderes uit de middenklasse met een dip in haar carrière, een Ierse pater die de armen wil helpen. De link met de WTC-torens suggereert dat dit een 9/11-boek is, maar dan een die 25 jaar terug gaat in de tijd. Daar zit wel wat in: dat schrijvers moeite hebben de aanval een plek te geven, ligt mogelijk aan het feit dat ze geneigd zijn om de periode ná 9/11 bijzonderder te vinden dan de jaren ervoor, toen de stad zich onkwetsbaar waande.

Maar hoewel McCann zich over het algemeen met succes in de verschillende personages weet te verplaatsen en hun optiek steeds behendig weergeeft, zijn die personages zelf toch vreselijke clichés: de gekwelde maar vrome Ier, de prostituee die van wanten weet, de losbandige kunstenaar. Voor een blanke Ierse katholiek is het ook een hele toer complete hoofdstukken te schrijven vanuit het standpunt van een Joods-Amerikaanse rechter of een Guatemalteeks-Amerikaanse verpleegster. Het is een knap gedaan, maar het boek als geheel overtuigt niet.

En dan is er nog het New York van ‘Chronische stad’, dat bijna uitsluitend bewoond wordt door marginale, weerspannige mislukkelingen: de schepper daarvan is de cultschrijver Jonathan Lethem, die twee fantastische boeken over New York heeft geschreven: de wijsneuzerige, intellectuele detectiveroman ‘De Minna-mannen’, en het ontroerende, autobiografische ‘De burcht van eenzaamheid’.

Na dat laatste boek leek hij rijp om uit zijn cultstatus te breken, maar met ‘Chronische stad’ keert hij er op een uitdagende manier naar terug. In dit boek volgt hij de non-carrière van Chase Insteadman, een voormalig kindsterretje dat het best bekend is als de lankmoedige verloofde van een astronaut die in een baan om de aarde verstrikt zit. Terwijl het wachten op de terugkeer van zijn bruid hem steeds minder moeilijk valt, raakt Chase bevriend met Perkus Tooth, een voormalige wildplakker en columnist van Rolling Stone.

Perkus is een contrapunt van, of waarschijnlijker nog, een parodie op al die strebers van McInerney. In plaats van coke te snuiven, rookt hij pot – de Engelse titel ‘Chronic City’ zinspeelt op heftig wietgebruik. En in plaats van een carrière op te bouwen, houdt hij zich op in een van de laatste laaggeprijsde huurappartementen van New York, waar hij theoretiseert over de aard van de werkelijkheid, de films van Marlon Brando, en de magische krachten die hij toeschrijft aan een bepaald kunstvoorwerp, de ‘chaldron’. Hij weigert deel te nemen aan het hedendaagse leven, is een relict uit een vroegere tijd ‘toen de stad nog openstond voor beat of de zelfverwerkelijking van de punk', toen het nog opwindend was om popcriticus te zijn, toen Manhattan wijdere marges had.

Waar McInerney geschiedenis boekstaaft, en McCann geschiedenis schrijft, vindt Lethem haar uit. In zijn New York kunnen krantenlezers kiezen tussen een gewoon exemplaar en een oorlogsvrije uitgave, terwijl 9/11 en de financiële crisis zijn samengesmolten tot een ’grijze mist die, een jaar of twee, drie geleden, was neergedaald of volgens sommigen op het zuidelijke deel van het eiland was losgelaten en zijn deprimerende invloed op dat gebied nog steeds deed gelden’. Tot de kwellingen van New York behoren een mysterieuze, loslopende tijger (al dan niet per ongeluk gejat uit McInerney’s roman ‘Brightness Falls’) en een penetrante chocoladelucht, door de burgemeester uitgelegd als ‘de zoete geur van succes’.

‘Chronische stad’ is zowel een briljante kritiek op McInerney en zijn wereldbeschouwing als een draak van een roman. Het is net iets te zeer onder de invloed van marihuana geschreven; de humor en vindingrijkheid gaan verloren in obscure verwijzingen en rammelend proza. Maar toch, een boek dat erin slaagt het hedendaagse New York te vergelijken met een zware hikaanval – ’een fragiel schijnbeeld vol hiaten en storingen’ - verdient zeker een ereplaats in de grootstedelijke marges.

mailIcon print |