Een groffe, gestoorde psychotherapeut die zegt dat hij zelf nooit liefde heeft gekregen, een machtswellustige anorexia-patiënte: de debuutroman van de Ierse Aifric Campbell gaat geen taboe uit de weg.
Jays moeder heeft nooit van hem gehouden, zijn oudere broer, die hem nooit serieus heeft genomen, is jaren geleden vermoord. De 53-jarige Jay, psychotherapeut en hoofdpersoon van ’De logica van het moorden’, heeft er een cynische kijk op het leven aan overgehouden. En als hij Dana ontmoet, een biografe die zich verdiept in het leven van zijn broer, wordt alles weer opgerakeld.
Het debuut van de Ierse Aifric Campbell is een mengvorm van feit en fictie: voor de vermoorde broer stond Richard Montague model, een controversiële professor die wiskundige ideeën op taal losliet. Hij werd in 1971 vermoord, waarschijnlijk als gevolg van zijn voorliefde voor ruige seks met zwarte mannen.
Jay, zijn broer, is een volslagen fictief personage; een doodenge, kille hoofdpersoon, die niet in staat is van iemand te houden. Jay denkt dat het met liefde net zo is als met taal: heb je het als kind niet aangeleerd, dan zul je het je later nooit meer eigen maken. Je kunt het nabootsen, je kunt je redden, maar het zal nooit een wezenlijk deel van je zijn.
Daarmee laat Jay zien dat hij zichzelf, ondanks zijn vak, slecht kent. Het probleem is niet zozeer dat hij niet kan liefhebben, maar meer dat hij anderen graag ziet lijden. Hij mag zijn cliënten tijdens een consult graag in de afgrond duwen, een psychische crisis bij hen forceren en ze dan wegsturen. Tegen een in het ziekenhuis aan anorexia stervend meisje zegt hij: „’Volgens mij doe je het omdat je wilt dat we allemaal je grote finale zullen zien. De romantiek van het sterven voor een groot publiek. Maar [] jij zult lelijk sterven. Als een uitgemergeld lijk.’ Hij gaf een klopje op haar botten. ‘Is dat romantiek? Is dat glamour?’” Al even rücksichtslos zegt hij tegen andere cliënten dat zelfmoord inderdaad de beste uitweg is. Dit zijn natuurlijk dingen die je als zorgverlener niet uitspreekt. Al is er misschien iets van waar.
Campbell, die zelf psychotherapie studeerde, stelt zo de machtswellust van therapeut én patiënt aan de orde. En ze stelt nog een andere pijnlijke vraag. Kunnen we ons lijden nog accepteren als onderdeel van het leven: vragen we niet te snel om pillen of therapie? En wanneer is er eigenlijk sprake van lijden? Zoals Jay het formuleert: „Een moeder hebben was niet meer zo eenvoudig als vroeger gedacht werd: bij elke rantsoenering van liefde en affectie en bij het geringste jeugdtrauma vreesden zijn cliënten al op de rand van een mogelijke ineenstorting te staan.” Maar dat slaat ook op hem zelf terug: zijn sadisme wordt niet afdoende verklaard door wat hij als kind tekortgekomen is.
De roman werd in het Verenigd Koninkrijk voor de grote prijzen gepasseerd. Er zijn critici geweest die daar hun verbazing over hebben geuit, want het boek staat boordevol intelligente ideeën, heeft goed uitgewerkte subplots en een thema waarover gediscussieerd kan worden: een typisch leesclubboek.
Maar waar de schrijfster zich nog verder in moet bekwamen, is het onderscheiden van hoofd- en bijzaken. Ze heeft de neiging alinea’s vol te stoppen met niet ter zake doende informatie. Als Dana en Jay langs Harvey Nichols lopen, en Dana terloops opmerkt een hekel aan kerstetalages te hebben, begint Jay daar een lange overpeinzing over, die haar opmerking een belang toekent dat achteraf niet te verantwoorden valt. Je denkt dat die kerstetalages nog zullen terugkeren, dat er nog iets mee te gebeuren staat. Maar nee.
En dat gebeurt vaker: met zijsprongen richting snelle jongens, oude dames, alcoholisten: het verhaal vraagt er geen moment om, integendeel, het gaat erdoor zwalken. Als Aifric Campbell dat afleert, komt haar volgende roman gegarandeerd op elke longlist terecht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.