’Een biografie van iemand over wie al drie of vier boeken zijn verschenen, zou ik niet kunnen schrijven. Hoe onbekender het onderwerp is, hoe leuker ik het vind.
Ik heb een hekel aan boeken die elkaar overschrijven. Voor mij geldt: ga terug naar de bronnen, goed archiefwerk is heel erg belangrijk. Dat levert bijna altijd nieuws op. Ook over deze pastoor Bloemert staat in dit boek vrij veel nieuws, en bovendien over de mensen met wie hij omging, zoals Descartes en Hooft.
Pastoor Bloemert was een katholiek in een omgeving en een periode dat katholieken de negers van Nederland waren, tweede- of zelfs derderangs burgers. Hij is een interessant voorbeeld hoe in de zeventiende eeuw de katholieke gemeenschap ondanks alles toch door functioneerde. Het bestuur van het bisdom Haarlem deed er alles aan de katholieke vlag hoog te houden. Bloemert was een belangrijk man, hij was breed georiƫnteerd, had veel culturele bagage.
In zijn tijd hielden katholieken godsdienstoefeningen in schuilkerken. In Nijmegen waar Bloemaert enkele jaren woonde, stichtte hij zo'n kerk, en later ook in Haarlem. Van die schuilkerk werd hij pastoor. De godsdienstoefeningen werden oogluikend toegestaan, maar wel tegen betaling. Soms waren er invallen, dan werd de pastoor in de gevangenis gezet die zich vervolgens voor veel geld moest vrijkopen. Alle bezittingen van katholieken werden geconfisqueerd. Er was nauwelijks geld om aan armenzorg te doen.
Bloemert, die zelf een welgesteld man was, trok zich dat aan. Bij testament bepaalde hij dat van de opbrengst van zijn vermogen ’ten eeuwigen dage’ brood moest worden uitgedeeld aan de katholieke Haarlemse armen. Dat gebeurde vanuit het zogeheten Broodhuisje. Dat ging door tot 1940, toen werd het brood vervangen door financiĆ«le bijdragen. Daaraan is tien jaar geleden een eind gekomen. Welbeschouwd was Bloemert de oprichter van de voedselbank avant la letter. Toch wel merkwaardig dat zo'n initiatief 350 jaar later nog steeds nodig is.
Ik kom uit een familie die van geschiedenis houdt. We zijn trots op onze Italiaanse afkomst. Er zit in de biografie ook nog een dun familielijntje: tijdens het archiefonderzoek stuitte ik op de meisjesnaam van mijn grootmoeder: een ver familielid bleek aan het eind van de negentiende eeuw een van de uitdelers van het Broodfonds te zijn geweest. Dit boek is dus ook een heel klein beetje een familiegeschiedenis.
Dit is mijn derde grote boek in vier jaar. Ik heb onder andere een boek geschreven over het stadhuis van Haarlem, het oudste stadhuis van het land. Wie schrijft, blijft. In veel mensen zit een hang naar onsterfelijkheid. Ik heb thuis een plankje boeken van mijn vader staan, dat is iets troostrijks.
Ik probeer mooie boeken te maken. Ze moeten een goede structuur hebben, en een helder verhaal hebben. De burgemeester van Haarlem zei bij de presentatie: ’het leest als een trein.’ Dat vond ik wel een mooi compliment.
De biografie is vooral bedoeld voor mensen die in de Haarlemse regio wonen. Maar ook groepen daarbuiten kunnen er wat aan hebben: kunsthistorici, en mensen die geïnteresseerd zijn in cultuurdragers als Descartes en Hooft, of in kerk- en religiegeschiedenis.
Ik heb er heel hard aan gewerkt, het was binnen een jaar af. Ja, dat is kort. Maar het onderwerp was ook leuk, ik ben goed thuis in de Haarlemse en Kennemerse archieven, en ik heb van veel mensen medewerking gehad. Bovendien had ik een harde deadline, dat helpt enorm.’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.