*

 

Was David Hume een echte atheïst?

Marinus de Baar − 09/01/10, 00:00

Frits van Holthoon probeert nieuw licht te werpen op de prangende vraag of de Schotse filosoof David Hume in een God geloofde.

  • David hume

Na zijn begrafenis in gewijde grond zette de familie van de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) voor alle zekerheid gedurende drie weken een bewaker bij zijn graf, lezen we in de nieuwste studie van Frits van Holthoon over Hume. Waar zou dat nu goed voor zijn geweest? Wel, er waren er die Hume ernstig verdachten van atheïsme en zo iemand verdient geen rust, al helemaal niet in gewijde grond.

Maar was Hume ook echt een atheïst? Dat is al tijden lang een betwist geval. Van Holthoon besteedt terecht veel aandacht aan die kwestie, omdat dit voor het begrip van Hume als verlichtingsfilosoof een prangend vraagstuk is. Hij beweert dat Hume een ’agnostische theïst’ was omdat hij stelde niets te weten van Gods wil (dat is zijn agnosticisme) maar niettemin in God als persoon geloofde (dat is zijn theïsme). Dat lijkt met elkaar in tegenspraak: hoe kun je in een God geloven als die onkenbaar is? Wat Van Holthoon echter bedoelt is dat Hume geen atheïst was, dus wel in een God geloofde, maar overigens dacht dat Gods bedoelingen onkenbaar waren.

Was Hume dus geen atheïst en de bewaker bij zijn graf overbodig? Dat staat nog maar te bezien. Van Holthoon baseert zich bij herhaling op een anekdotisch verhaal waarin Hume in zijn Parijse jaren bij de notoire atheïst baron d’Holbach en vijftien disgenoten aanzat aan tafel en opmerkte dat hij (Hume) nog nooit een atheïst had gezien. De baron zei dat Hume maar eens om zich heen moest kijken want daar zaten er wel dertien; twee twijfelden er nog. De argumentatie van Van Holthoon is simpel: „Wie zegt dat hij nog nooit een echte atheïst heeft ontmoet kan er moeilijk zelf een zijn.” Tja, als Hume serieus was geweest misschien wel. Maar moeten we nu aannemen dat Hume geheel argeloos deze vraag stelde in een salon die erom bekend stond te worden bezocht door vrijdenkers en waarvan de gastheer, baron d’Holbach, het woord atheïst zo ongeveer op z’n voorhoofd had staan? En Diderot, van wie het verhaal stamt, was toen ook al een geaccrediteerd atheïst.

Van Holthoon heeft nog wel een paar pijlen op zijn boog. Zo voert hij Hume's opmerking aan dat „het hele natuurlijke bestel blijk [geeft] van een met intelligentie begaafde auteur” en dat je dus in alle redelijkheid de eerste beginselen van het theïsme en de godsdienst dient te onderschrijven. Maar dat is de wel vaker aangevoerde derde zin uit de ’Introduction’ van Hume's Natural History of Religion’, en het is denkbaar dat Hume in deze aanloop slechts beschreef wat de gangbare stand van zaken was: hoe men in het algemeen dacht. Met de laatste zinnen van dit boek is Van Holthoon natuurlijk ook bekend: „Het geheel is een raadsel, een enigma, een onverklaarbaar mysterie.” En hier is de ’intelligente auteur’ toch echt op de loop. Bovendien schreef Hume dit in dezelfde tijd als zijn ’Dialogues Concerning Natural Religion’ en daarin zette hij het ’design-argument’, dat de natuur een intelligente auteur zou hebben, beredeneerd bij op het kerkhof van overleden ideeën. Van dat laatste is Van Holthoon nog niet zo overtuigd maar dan moet toch maar eens worden uitgelegd wat Hume bedoelde met de opmerking (uit deel IV van de ’Dialogues’) dat als we eenmaal gaan vragen naar de oorzaak van deze wereld, we terecht komen in een eindeloze teruglopende reeks oorzaken en we niet zomaar ergens bij God kunnen ophouden. Dus: „Why not stop at the material world?” (waarom stoppen we niet bij de stoffelijke wereld?). Hoe het nu precies met Hume’s geloof zit, blijft onderwerp van discussie. Maar de hemel zal hij niet verdiend hebben en het was misschien nog niet zo’n gek idee om een bewaker bij zijn graf te zetten.

Van Holthoon, emeritus hoogleraar Amerikanistiek te Groningen, is lid van de Hume Society, heeft eerder over Hume geschreven en ook diens ’Traktaat over de menselijke natuur’ in het Nederlands vertaald. Hij is grondig bekend met Hume en met wat er over Hume is geschreven. Van Holthoon is er ook niet afkerig van standpunten in te nemen en die van anderen de maat te nemen. Zijn ’Hume, Leven en werk’ is met peper en zout geschreven. Dat mag, maar dan moest zijn standpunt met betrekking tot Hume’s religieuze overtuiging ook maar eens de maat worden genomen.

mailIcon print |