*

 

Gestudeerde mannen, van een radicale lichting

MARTIJN EICKHOFF − 09/11/02, 00:00

recensie Toen op 27 september 1939 in Berlijn de Geheime Staatspolizei, de Kriminalpolizei en de Sicherheitsdienst van de SS werden samengevoegd tot het Reichssicherheitshauptamt (RSHA) ontstond er een politieorganisatie die zijn gelijke niet kende. In de nieuwe organisatie versmolten staats- en partijorganen, en de taakomschrijving was nauw verbonden met het nationaal-socialistische volksgemeenschapideaal: het Duitse volk diende in raciaal opzicht zuiver gehouden te worden.

Men definieerde daartoe op etnisch-raciale gronden volksvijanden, die eerst werden vervolgd en verjaagd, en later vernietigd. Dit alles gebeurde in naam van de Führer en geheel onafhankelijk van de wettelijke beperkingen waarmee de politie in een rechtstaat normaliter onder controle wordt gehouden.

Het RSHA heeft in zijn zesjarig bestaan een bijna onvoorstelbare reeks misdaden begaan. Berucht zijn de door het RSHA samengestelde Einsatzgruppen. Zij waren verantwoordelijk voor terreur en massale slachtpartijen in de verschillende door Duitsland bezette gebieden. Maar ook het Referat IV b 4, dat onder leiding van Adolf Eichmann de Endlösung organiseerde, viel onder het RSHA. Het is dus niet zonder reden dat het hogere kader van het RSHA, dat uit vierhonderd man bestond, wordt beschouwd als de harde kern van de daders, schuldig aan de tijdens het Derde Rijk gepleegde genocide.

De bewuste groep vertoonde een opvallende homogeniteit. Reinhard Heydrich, die de leiding van het RSHA had, rekruteerde zijn leidende functionarissen vooral uit de oorlogsjeugd, uit de generatie die de Eerste Wereldoorlog alleen aan het thuisfront had meegemaakt. Het merendeel van het hogere RSHA-kader bezat een academische opleiding. Door toe te treden tot de nieuwe politieorganisatie gaven zij een zeker bestaan als arts, jurist of leraar op. Tegelijkertijd namen zij, in de woorden van Heydrich, een historische taak op zich: de etnisch-raciale herinrichting van het door Duitsland beheerste Europa.

Hoe konden de door Heydrich geselecteerde jonge mannen zich thuis voelen in een organisatie waarin grootschalige moord aan de orde van de dag was? Deze vraag heeft velen bezig gehouden en diverse verklaringen opgeleverd. Dit gebeurde voor het eerst tijdens de Neurenberger processen. In januari 1946 bekende aangeklaagde Otto Ohlendorf - leider van de Einsatzgruppe D - vrijmoedig dat er in 1941-42 onder zijn verantwoordelijkheid in de Sovjet-Unie negentigduizend mensen waren vermoord.

Het in de rechtszaal aanwezige publiek was met stomheid geslagen. Ohlendorf had namelijk op het eerste gezicht niet de indruk gewekt de psychopaat of sadist te zijn, die hij naar algemeen gevoelen toch wel moest zijn. Hij was een goeduitziende jongeman die bedachtzaam sprak en beschaafd en intelligent overkwam. Hoe was dit alles met elkaar te verenigen?

De Amerikaanse rechter, die Ohlendorf ter dood veroordeelde, nam bij de onderbouwing van zijn vonnis de toevlucht tot een literaire metafoor. Hij vergeleek de veroordeelde met R.L. Stevensons creatie Dr. Jekyll en Mr. Hyde: de man met een gespleten persoonlijkheid, die overdag een voorbeeldig arts was en die zich 's nacht ontpopte tot een moordlustig beest.

In de tweede helft van de twintigste eeuw ontstonden over de misdaden van het hogere RSHA-kader nog meer verklaringsmodellen. Het zouden vooral technocraten en bureaucraten zijn geweest, niets meer dan een tandwiel in het raderwerk van de Endlösung. Of zij zouden met het merendeel van de Duitsers reeds lang in de ban zijn geweest van een virulent antisemitisme; het moorden gebeurde niet zozeer omdat het moest, maar omdat het mocht.

Om deze met stereotypen doorspekte verklaringsmodellen te nuanceren, reconstrueerde de Duitse historicus Michael Wildt in zijn pas verschenen studie 'Generation des Unbedingten. Das Führungskorps des Reichssicherheitshauptamt' de levensloop van ruim de helft van de hogere functionarissen van het RSHA. Zo toont hij op overtuigende wijze aan dat zij ondanks de vele parallellen in hun levens in bepaalde situaties toch zeer verschillend reageerden.

In de studie vormt de invloed van de politiek-sociale context de rode draad. Allereerst laat Wildt zien dat het latere RSHA-kader - en met hen een groot deel van hun Duitse leeftijdgenoten - zich als gevolg van de val van het Duitse Keizerrijk en de daarmee samenhangende onzekere maatschappelijke verhoudingen een radicale wereldbeschouwing eigen maakte. Hierin stonden leiderschap, daadkracht en verandering centraal. Velen waren antidemocratisch en antisemitisch, wat echter niet hoefde te betekenen dat zij nationaal-socialist waren of in de ban van het eliminatie-antisemitisme.

Vervolgens beschrijft Wildt hoe het RSHA een institutie was die de wereldbeschouwelijke radicaliteit van zijn hogere kader met succes stimuleerde door hen bij hun politiewerk geen grenzen te stellen. Deze grenzeloosheid en de al eerder eigengemaakte radicaliteit gingen zijns inziens in oorlogsomstandigheden een funest verbond aan. Een tijdens een Einsatz in 1940 gegeven bevel tot executie werd door de aanstaande daders namelijk vaak ervaren als geheel in overeenstemming met de wereldbeschouwing, die reeds lang was gekoesterd.

Als gevolg van het alsmaar voortduren van de oorlog werd het RSHA-kader, zo vervolgt Wildt, nog radicaler. Men ging joden steeds méér beschouwen als een voor de volksgemeenschap ondragelijke ballast, en genocide als een juiste manier om zich hiervan te ontdoen.

Aan Wildts structuralistische benadering kleeft een belangrijk bezwaar. Door de nadruk te leggen op de invloed van de politiek-sociale context beschrijft hij vooral hoe het met het RSHA-kader van kwaad tot erger ging. De eerste stap, hoe men op individueel niveau tot het kwaad kwam, blijft onbesproken. Om op deze vraag antwoord te kunnen geven had Wildt zich meer moeten wagen aan psychologisch-filosofische analyses. Zijn keuze het primaat niet te leggen bij de diepere beweegredenen van zijn hoofdpersonen is echter te begrijpen. Voor een groepsbiografie van tweehonderd man, op zich al een respectabel project, is dit eenvoudigweg te veel gevraagd.

Gelukkig geeft Wildt incidenteel toch wel enige informatie, die tot beter begrip kan leiden. Bijvoorbeeld door te citeren uit de brief die een zekere Heinz Grüfe in april 1933 schreef aan zijn in Londen verblijvende verloofde. Refererend aan gruwelberichten in de Britse pers deed hij daarin onder andere verslag van de boycot van joodse winkels. Grüfe stelde zijn aanstaande echtgenote gerust door te vermelden dat wel hard en meedogenloos was opgetreden, maar dat er geen wreedheden waren begaan. We kunnen niets anders dan met Wildt constateren dat in dit vermeende morele onderscheid een mentaliteit schuilgaat die later bij degenen die de Endlösung ter hand namen eveneens waargenomen kan worden.

Grüfe raakte overigens niet direct betrokken bij de moord op de Europese joden. Tijdens de oorlog coördineerde hij de spionage- en sabotage-activiteiten achter het Oostfront. Hij raakte gefrustreerd omdat de nazibonzen de pro-Duitse Russen en Oekraïners om ideologische redenen niet van wapens wilden voorzien. In 1944 stierf hij als gevolg van een auto-ongeluk. Het zijn vooral levensbeschrijvingen als die van Grüfe, die het belang van Wildts boek uitmaken: de leidende functionarissen van het RSHA kunnen, ondanks de vele parallellen in hun levens, nooit meer over één kam worden geschoren.

mailIcon print |