recensie Kerken en religieuze stromingen die het wonder radicaal ontkennen krijgen het nog knap lastig. Milieus waar het wonder een belangrijke plaats inneemt zijn niet op hun retour, maar zullen in kracht en omvang toenemen. Godsdienst sociologie is in deze postmoderne eeuw uitgedaagd tot 'wonderzoek'.
De godsdienstsocioloog Hijme Stoffels waagde zich gisteren bij het aanvaarden van zijn ambt als hoogleraar aan de Vrije Universiteit op dit glibberige terrein waar collega's zich zelden vertonen. Stoffels is bekend van onderzoek naar en publicaties over orthodoxe protestanten, evangelischen en nieuwe religieuze bewegingen. Hij wil nu het 'fascinerende onderwerp' wonderen op de korrel nemen. Hij illu streerde zijn betoog met aansprekende lichtbeelden en videofragmenten.
Wonderbare genezingen, verschijningen, bloedende of melk-drinkende beelden, engelen, doorgevingen: het wonder rukt op, na twee eeuwen van teruggang. Het wonder en het geloof erin trekt zich ook steeds minder aan van kerk- en leeftijdsgrenzen.
Stoffels is vooral geboeid door het religieuze wonder: ,,een onverwachte of verbazingwekkende gebeurtenis die mensen nadrukkelijk toeschrijven aan een positieve ingreep van Hogerhand'', en vooral door mensen die nu geloven in wonderen of beweren er eentje te hebben meegemaakt.
De godsdienstsocioloog heeft geen instrument om te meten of iets een 'wonder' is of 'onzin'. Wel kan hij aan het werk met de vraag: wat beleven mensen eraan? Wat doen ze ermee? Hoe handelen ze op grond van hun geloof in de echtheid ervan?
Stoffels gaat ervan uit dat het wonder volgt op het geloof. Alleen wie in wonderen gelooft zal bepaalde gebeurtenissen als een religieus mirakel erkennen. ,,Het geloof construeert de ervaring. Wat moet een protestant met een wenend Madonnabeeld? Katholiek worden.'' Sommige moslims beschouwden de val van de Twin Towers als een wonder van Allah; de Amerikanen, toch heel gelovig en in voor wonderen, zagen heel iets anders.
Een wonder heeft sociologisch gesproken een 'geloofwaardigheidsstructuur' nodig; Jomanda biedt zo'n structuur, maar ook de rk kerk heeft er nog wel iets van. De protestantisme heeft zich in zijn rationalisme van 'mystery, miracle and magic' ontdaan, het is de godsdienst van de 'ont-tovering' van de wereld, maar erbinnen -charismatische groeperingen en hun gebedsgenezers- en buiten de georganiseerde vormen van godsdienst is het wonder en het geloof erin teruggekomen.
Stoffels wijst op onderzoek. Bestaan er religieuze wonderen?, werd in een enquête tien jaar geleden gevraagd. Ja, zei dertig procent. Zeven jaar later, zelfde vraag: ja, zei veertig procent.
Oude mensen geloven meer in wonderen dan de veertig-vijftigjarigen en ze zijn ook kerkser. Maar jongeren blijken én het minst kerks én het meest wondergelovig. De verschillen zijn niet spectaculair, wel opmerkelijk.
Geloven vrouwen, lageropgeleiden, plattelanders, katholieken, armen meer in wonderen dan mannen, intellectuelen, stedelingen, protestanten en rijken? Alleen tussen mannen en vrouwen is verschil aantoonbaar. (34 om 45 procent). Ook geloven mensen die bidden méér in de mogelijkheid van wonderen dan niet-bidders.
Stoffels wil echter meer weten: waar denken mensen aan bij 'wonderen', welke betekenis geven ze eraan? Wie verzetten zich tegen het wondergeloof? Op deze en andere vragen wil Stoffels zijn 'wonderzoek' richten.
Van een evangelische internetsite plukte Stoffels het relaas van een vrouw die door gebedsgenezer Jan Zijlstra uit Leiderdorp van haar MS was genezen. Stoffels analyseert het wonder als een verhaal met een 'teken-karakter' - het dient de evangelisatie-arbeid. Stoffels wil weten in hoeverre er sprake is van weerstand en ongeloof, van strijd tussen erkenning en ontmaskering.
Stoffels rekent scepsis en ongeloof in wonderen bij de moderniteit, de rationaliteit, maakbaarheid, seculariteit die de afgelopen twee eeuwen kenmerkten; wonderen hoorden bij zonderlingen en geloofsfanaten, het was slechts een 'restverschijnsel'.
Maar in het 'postmoderne' vervagen de tegenstellingen tussen ratio en gevoel, inheems en exotisch, tussen schijn en werkelijkheid, religieus en seculier, sacraal en profaan. Stoffels ziet daar het wonder terugkeren, de 'hertovering' van de wereld, post-kritisch, ervaringsgericht, de 'intellectuele schaamte' voorbij, vooral onder jongeren. Het wonder krijgt zijn kans, denkt hij, in de buitenkerkelijke religiositeit, want de slinkende bestaande kerkelijke instituten zitten opgesloten ,,in een modern vertoog''.
De nieuwe VU-hoogleraar ziet de rol van de religie in de samenleving ,,absoluut niet als uitgespeeld''. Hij voorspelt groei en bloei van postmoderne rituelen en nieuwe religieuze gemeenschappen. En prijst zich gelukkig er met zijn leerstoel bovenop te zitten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.