recensie Het zit hem allereerst in 'kleine' dingen. In het geschoffeerd en niet als mens bekeken worden. Vanuit een raampje in een Palestijns huis is wel eens in het geniep gefilmd hoe Israëlische soldaten bij een wegversperring omgaan met de Palestijnen die daar uren moesten wachten tot ze wel of niet doorgelaten werden.
Er vloeide geen bloed. De soldaten lieten de wachtende mannen knielen en gingen op de hoofden van die mannen zitten en deden alsof ze hun gat aan de man onder hen afveegden. Volgens Ha'aretz-journalist Gideon Levy zouden veel Israëliers, zelfs de rechtse, er een stuk meer van begrijpen als ze eens gedwongen zouden worden een paar uur achter een kijkgaatje bij een checkpoint door te brengen.
De kracht van 'De tweede intifada' van Anja Meulenbelt schuilt in het beschrijven van zulke Palestijnse taferelen in alle soorten en maten van vernedering en verdriet. Dat alleen al maakt het, ondanks bezwaren die er tegen haar politieke analyse in te brengen zijn, tot een goed, want nuttig boek.
Er was de laatste weken nogal aanleiding voor: voor betogen over de opgekropte frustratie in 'dé Arabische wereld' als gevolg van een eeuwenlange historische neergang, voor het beschrijven van een anthropologisch onderbouwd verband tussen 'eer' en geweld in een arabisch-islamitisch levenspatroon. Het is vast allemaal óók waar. En het is nodig te weten hoezeer dat vuurtje opgepord wordt door tv-zenders en kranten. Maar in het geval van de Palestijnen - en in een lichtere graad in het geval van de Israëlische Arabieren - liggen de belangrijkste oorzaken van hun kokende woede waarachtig een stuk dichterbij. Een Palestijnse vrouw, bijvoorbeeld, werd gedwongen haar kind bij een checkpoint te baren en kilometers te lopen naar het ziekenhuis, een stervende baby in de armen. Gecheckt door Ha'aretz, het ontkennen niet eens waard bevonden. Veel bezettingsonrecht was al alledaags vóórdat (precies een jaar geleden) de tweede intifada begon en de hel losbrak, alleréérst en allerhevigst in de bezette gebieden.
Meulenbelt is partijdig. Ze zegt het zelf ook. Ze werkt voor een stichting die tegen de klippen op gehandicapte Palestijnse jongeren (meestal neergeschoten al dan niet bij het stenengooien) probeert te laten revalideren. Wreekt die partijdigheid zich? Meulenbelt gaat voorbij aan de vuile repressie van Palestijnen door hun eigen Palestijns gezag, aan de corruptie die in Arafats autoritaire bestuur voortwoekert, maar die omissie raakt niet aan de kern van haar betoog.
Maar dat Arafat zo laat in de onderhandelingen de terugkeer van drie miljoen Palestijnse vluchtelingen eiste, zonder een acceptabel compromis om op terug te vallen, was wellicht toch méér dan een 'fout'. Aan de andere kant beweert Meulenbelt weer wat te makkelijk dat dit vluchtelingenprobleem zich met enig geven en nemen wel laat oplossen. Het is overigens vrij moeilijk er iets concreters over te zeggen.
Maar de hoofdconclusie van Meulenbelt wordt door haar linkse en (dus) steeds zeldzamer Israëlische gespekspartners onderschreven, en is vrijwel onontkoombaar: Israëliërs (rechts én links) moeten ophouden zichzelf uitsluitend als slachtoffer te zien - een rol die mede door de Holocaust en door eeuwen van vervolging in Europa vorm kreeg. Ze moeten leren zien wat ze aanrichten als dader, onder de mensen waar ze bang voor zijn. En ze moeten kiezen. Als Israël niet een onmenselijke verdrijvingspolitiek wil gaan voeren, zal de bezetting moeten opgeheven, de overgrote meerderheid van de nederzettingen weggebulldozerd, een levensvatbare staat met een levensvatbare hoofdstad op poten geholpen, een staat die niet om water en electriciteit moet hoeven bedelen, een staat die zijn eigen grenzen, export en import beheert en niet geknecht wordt met checkpoints. Over de drie miljoen vluchtelingen zal door béide partijen met veel meer wijsheid moeten worden onderhandeld dan tot nu toe vertoond.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.