*

 

Kortom, angst is ouderwets

MICHIEL LOUTER − 29/09/01, 00:00

recensie Wij mogen geen angst hebben. 'Niet bang zijn - rustig maar' is het eerste gebod dat we als baby leren. Waarna we gesust worden met een warme borst, fles of wiegeliedje. Vrees daarentegen moeten we wél hebben. Kinderen moeten open vuur, water of rijdende auto's leren vrezen, in het besef dat ze in een soms levensgevaarlijke wereld leven.

Maar onbepaalde angst zien we niet graag in een kind, net zo min als in onszelf. Pure, objectloze angst is amper te verwoorden en nog moeilijker te begrijpen, hoewel haar verschijnselen reëel genoeg zijn. Filosofen omschrijven haar als een verstikkend gevoel van verlorenheid, als een vloedgolf van structuurloze dreiging, als een machteloos makende onderdompeling in chaos. Paniek die opeens uit het niets verschijnt en verdwijnt, terwijl een verklaring, zelfs met een volwassen woordenschat, nauwelijks valt te benaderen. Daarom leren we kinderen om angst te negeren. Verdwijnen doet ze echter niet.

Volgens epidemiologisch onderzoek voldoen in Nederland maar liefst een half miljoen mensen aan de criteria van een angstziekte, met namen als agorafobie, gegeneraliseerde angststoornis en obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Aangezien ook de drie 'grote' psychiatrische ziektebeelden - schizofrenie, depressie, manie - gekleurd worden door irreëele paniekgevoelens, wordt angst met recht het brood en de boter van de geestelijke gezondheidszorg genoemd.

Tegelijkertijd is het doorgronden van angst volgens de psychiater en wijsgeer Gerrit Glas, die er onlangs een boek aan wijdde, vrijwel uit de mode geraakt. Waar de 'existentiële' psychiatrie rondom 1970 angst nog zag als een 'uitdaging', inherent aan het leven, ziet de heropgeleefde biologische psychiatrie van tegenwoordig een op hol geslagen locus coeruleus in het brein, die zonder duidelijke noodzaak salvo's begint afvuurt met de gevaar-signaalstof norepinefrine. Angst wordt herleid tot een zoogdierlijke, slecht afgestelde vlucht-of-vechtimpuls, net alsof er een horde hongerige beren op ons afrent, terwijl in werkelijkheid slechts een wolk haar schaduw over een verkeersbord werpt.

Kortom: angst is ouderwets. Ons brein moet zich (nog) aanpassen aan het feit dat er echt geen loslopende beren meer zijn. Terwijl therapeuten ons dit leren, kan de ongegronde beklemming uitstekend worden bedwongen met herhaalde doses alprazolam, oxazepam of venlafaxinum. De prijs hiervan bestaat weliswaar uit verslaving en misselijkmakende bijwerkingen, maar dat hebben veel patiënten er graag voor over. Als ze die beren op de weg maar niet meer zien.

In een notedop is dat de strekking van 'The anxiety cure' van Robert L. Dupont, psychiater en voorman van de 'Anxiety Disorders Association of America', en zijn twee eveneens hulpverlenende dochters. Eén van hen opent het boek met een tranentrekkende dankbetuiging aan haar vader, die haar 'life-crippling' liftfobie hoogstpersoonlijk heeft wegbehandeld. Hierop volgt een stappenplan vol dagboekjes, vragenlijsten, voorgedrukte brieven aan geliefden, medicijnpropaganda en rijtjes als 'Tips for Using Your Mouth to Help You' ('Fix a cup of herbal tea or warm milk'). Het doel is steeds om angstaanvallen weg te redeneren als vervelende, maar uiteindelijk irrelevante 'physical false alarms'.

De ook in Nederland zeer populaire Cognitieve Gedragstherapie (CGT), waar bovengenoemd werk een wat simplistische maar wel representatieve pendant van is, maakt angst aldus tot vijand, of - volgens de Duponts: - 'The Dragon'. In de RIAGGS leren patiënten inmiddels om zulke draconische hersenspinsels in vijf CGT-sessies te accepteren, en vervolgens om te buigen naar meer constructieve gedachtenpatronen. Onder deze bezweringen valt het opzoeken van veiligheid, het 'stoppen' van sociale paniek door jezelf in de WC een peptalk te geven, of jezelf pijnscheuten toe te dienen met een rond de pols knellend elastiekje. Veelal ondersteund met een (impliciet levenslange) antidepressiva-kuur, en wat lichte tranquillizers in de vestzak.

Overigens blijkt kortdurende CGT als enige psychotherapie aantoonbaar te helpen, maar alleen als de therapeut tijdens de sessies een heel vast protocol handhaaft, waarbij zo min mogelijk wordt ingegaan op de individuele kanten van het verhaal van de cliënt. Hierdoor komen mensen zelden terug voor nog meer therapie (wel voor meer pillen).

Wijsgeer Glas signaleert als een der zeer weinigen dat de fundamenteel-menselijke benadering van angst 'vrijwel in vergetelheid is geraakt', bedolven als ze is onder een stortvloed van neurochemisch, neuro-endocrien en cognitief onderzoek. ,,Het fundamentele karakter van de angst wordt in onze tijd ontkend.'' Glas wijt het aan de hernieuwde almacht van het beheersing en disciplinering nastrevende 'medische model', dat denkt in repareerbare mentale functiestoornissen, die in wezen los staan van het bewustzijn dat er onder lijdt. Angstpatiënten fungeren aldus als proefkonijn van de evidence-based psychiatrische en farmaceutische wetenschap.

Haast nostalgisch bespreekt de gereformeerde Glas Kierkegaard (angst is de afgrond van onze ziel, in de diepte waarvan alles onbekend is, maar waar je een christelijke sprong overheen kunt maken), Freud (cortexaal afvoeren van seksuele spanningen) en Störring (een flits, waarin het ik-gevoel en het idee onherroepelijk te leven, sterk vervreemdend zijn). Daarna sluit Glas zich aan bij de laatste, antropologische school en noemt ,,dichter bij de angst komen (...) in uiterste zin de onmogelijkheid zich tot de angst te verhouden: de ik-zelf-verhouding lost op in de angst. Wat dan rest is één en al angst, uiteenvallen, volstrekte verlorenheid, een machteloos overgeleverd zijn aan de krachten van de chaos.''

De soms existentie-mystieke beschrijvingen van Glas doen denken aan de ideale toestand (volgens zowel Zen als Heidegger), de grote Angst, waarin het naakte feit er-te-zijn als zo verpletterend wordt beleefd dat men er leeg door wordt, om vanuit die leegte verder te leven.

Helaas schrijft Glas veelal met zoveel vakjargon dat zijn betoog ondoorzichtig wordt. Hij komt pas tot leven als hij er op basis van concrete patiënt-gevallen voor pleit om patiënten de rust en de ruimte te gunnen op de proppen te komen met diep verborgen levensangsten, omdat het de nodige tijd kost voor ze dat doen.

Angst blijkt dan vaak - en dit is het grote taboe - de angst voor de ander. Vreemd genoeg gaat Glas voorbij aan stromingen in de psychiatrie (de existentiële stroming en de systeembenadering) van tussen 1960 en 1980, die niet het individu, maar het overgeleverd-zijn aan de samenleving aanwezen als angstverwekkend en vervreemdend. Uiteenlopende denkers als Fromm, Yalom, Berne en Watzlawick ontrafelden het menselijk contact als wispelturige, egocentrische en deels corrupte gevoelstransacties gericht op macht over de ander.

Kinderen mogen het niet denken, maar zij weten dat hun zelfgevoel vanaf de geboorte overgeleverd is aan de kil objectiverende blikken van moeder, vader, leraren en vriendjes. Wisselend geluimd kan deze blik koesteren, veroordelen en negeren. Maar ze is altijd heimelijk gericht op het binnenhalen van zoveel mogelijk emotionele buit.

Iedereen kent de angst voor het grijnslachje op het gezicht van mensen (onszelf) die de eigenwaarde opkrikken door dat van anderen te loochenen. Het moeilijk ter discussie te stellen lachje van iemand die zijn naaste te slim af is. Alles is mogelijk in het elkaar vernietigende gedrag van mensen, en iedereen voelt, al is het maar een beetje, die potentiële angst, zo werd tot twintig jaar geleden alom beweerd in psychiatrische kringen.

Deze kennis is vastgelegd in oudere generaties van psychiatrisch werkzamen en wordt nog veel gebruikt in de nog steeds bestaande 'inzichtgevende' variant van psychotherapie. Maar de literatuur waarin ze te vinden is, blijkt goeddeels weggevaagd. Massaal verwijderd uit de medische bibliotheken, is de maatschappijkritisch-psychiatrische canon slechts te vinden in antiquariaten.

Terecht? Een veelgehoord argument voor CGT en farmaceutica is dat de gemiddelde carrièremaker met zorgtaken en een sociaal-cultureel leven domweg geen tijd heeft voor zijn angsten. Als de kinderen om eten vragen, het project zijn deadline nadert, de vakantie moet worden geboekt en de familie vanavond op visite komt, lijkt het beter om de hieraan gepaarde huiver te negeren dan om er aan toe te geven. Want dat laatste kon wel eens heel tijdrovend zijn, en de afloop onzeker.

Aan de andere kant is het ook de vraag of CGT en pillen echt werken. Het kan jaren lukken een 'succesvol', overladen leven te lijden, maar het loopt niet zelden uit op moeilijk behandelbare burn-outs, depressies en paniekstoornissen. Velen haken al eerder af. In een samenleving die het wezen van succes verklaart uit de afwezigheid van angst, is het welbehagen van weinigen afhankelijk van de mislukking van velen. Ondanks de macht van het ideaalbeeld van de 'geslaagde' alleskunner, zijn er nog steeds mensen die oprecht zijn geïnteresseerd in de achtergronden van hun mislukking, mensen die hulp vragen om hun verhaal in kaart te brengen en te leren begrijpen.

Therapiebehoeftige mensen moeten kunnen blijven kiezen tussen goedkope, kortdurende CGT, en dure, inzichtgevende psychotherapie. Want angst is een te integraal onderdeel van de samenleving om te negeren. Als we willen begrijpen wie we zijn, moeten we van onze angst durven leren.

mailIcon print |