opinie HAARLEM - Hans Man in 't Veld (1945) loopt al heel wat jaartjes en in vele kwaliteiten rond in de theaterwereld. De al wat in jaren vorderende toneelliefhebber kent hem vooral van zijn levendige inbreng in het Werkteater.
Guido Kleene (1972), die al twee keer eerder met Man in 't Veld een voorstelling maakte voor zijn 'Compagnie Dakar', heeft nu ongeveer de Werkteater-leeftijd van zijn oudere collega, en dat heeft geleid tot een nieuwe productie: 'Jasons zonen'.
De titel is misleidend. Immers, bij Jasons zonen denk je onmiddellijk aan het belangrijkste wat hen overkwam, namelijk vermoord te worden door hun moeder Medea. Maar in 'Jasons zonen' is de moeder volstrekt afwezig; zelfs de vrouw in het algemeen kent slechts een marginale aanwezigheid in de reeks improvisatie-achtige scènes tussen 'vijfentwintig min en vijfenvijftig plus', waarbij de twee gewoon Hans en Guido blijven. Ze laten hun spel, hun geschiedenis en hun fantasie los op een voor het moment bedachte relatie.
Die relatie kan de (kortstondige) seksuele omgang zijn tussen een vijfentwintig min die op zoek is naar een vaderlijk sterke arm, en een vijfenvijftig plus die tegen beter weten in het bed met een jonge Apollo wil delen.
Dat de clichés al voor een woord is gezegd stapels hoog rond de speelvloer liggen te wachten, is onvermijdelijk: alleen al in de opening, waar de twee, de 'vader' met een antiek ogende pick-up en platen, de 'zoon' met een gettoblaster en cd's, tegen elkaar op hun eigen muziek draaien. Dat van die clichés vind ik geen bezwaar: elke vader en elke zoon heeft z'n eigen herkenbare geschiedenis, en wat telt is, hoe die vader en die zoon hun geschiedenis vertellen.
Wat dat betreft is Man in 't Veld beter op dreef dan Kleene. Ook dat is logisch: een vader heeft doorgaans meer geschiedenis om uit te putten dan een zoon. Daarbij is Man in 't Veld met zijn zelf-relativering en zijn wat monkelende oogopslag een acteur die zijn persoonlijkheid en zijn personage op een overtuigende manier met elkaar verbindt. Kleene mist dat (nog) grotendeels.
Dit alles maakt dat 'Jasons zonen' juist in de persoonlijke momenten het bezienswaardigst is. Bijvoorbeeld wanneer de vader vertelt over zíjn vader, die in de oorlog (zoon: 'Welke oorlog? De Tweede Wereldoorlog soms?') 'een beetje' fout is geweest: twee jaar lid van de NSB. Of wanneer de zoon, nadat beiden hun schoenen en sokken, en hun overhemd hebben uitgetrokken, de hemden op de vloer uitspreidt en, rode verf op z'n voetzolen smerend, daaroverheen loopt. Een vader en een zoon blijven toch hun leven lang bloedbroeders.
Na de conflicten, de woede, rivaliteit en teleurstelling, komt de voorstelling langzamerhand in vrediger wateren. Nog wel draait de vader het laatste strijkkwartet van Sjostakovitsj tot woede van de zoon weg, de opkomende solidariteit van vader en zoon verbrekend. Maar met het lied van Cat Stevens over de zoon die het ouderlijk huis verlaat omdat het tijd is om te gaan, is de harmonie bereikt: beiden deinen mee met de muziek, hun denkbeeldige gitaar bespelend. En zo is het maar beter ook: apart en toch verbonden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.