*

 

Henk van der Waals pantsert zijn gedichten

Peter de Boer − 20/01/01, 00:00

recensie Henk van der Waal gooit het in zijn tweede bundel 'Schuldsanering' bepaald niet op een akkoordje met de lezer.

De lezer doet in zijn moeilijke, bezwerende gedichten in het geheel niet mee, zo lijkt het. Deze poëzie is in de eerste plaats met zichzelf bezig. Tot in de geometrische typografie aan toe (de gedichten zien eruit als rechthoeken, ruiten, gekantelde piramides) lijkt ze zich tegen de buitenwereld gepantserd te hebben. Zo staat het openingsvers meteen al in het teken van 'de giganteske weigering', die zich niet wenst te laten hinderen 'door schoonheid van / enige betekenis of door / het woordgruis dat in / 's mensen kielzog / sleept'. Gewone-mensentaal doet hier dus nadrukkelijk niet mee. Toch gaat het de dichter om weliswaar gecompliceerde maar alleszins herkenbare zaken als dood, schuld, liefde en seksualiteit. Met wat goede wil kun je je dus door deze particuliere en hermetische verzen wel degelijk aangesproken voelen. Hoewel? Ik moest mijzelf wel erg forceren bij woordlava als (ik doe maar een greep): 'de schraping van zandgestengelde handen onder de laffe schemer van je bewimperde zicht dat uitdrukking loost in de matte gelieving die ondanks terging net boven de haatheid uitlaaft'.

Niettemin heb ik wel waardering voor deze onmodieuze, strak vormgegeven, maar inhoudelijk extreem barokke woordwereld. Vooral in de meer expliciet seksuele gedichten stelt Van der Waal het menselijk tekort virtuoos tentoon. Bijvoorbeeld daar waar na een wervelend beschreven vrijpartij de ik-figuur zich in de slotregel 'in tweeheid tot jou [weet] bevrijd'. Zo paradoxaal triomfantelijk ('bevrijd') en treurig ('in tweeheid') komen gedichten niet vaak klaar. Voor zo'n verbaal slotakkoord moet je echt kunnen dichten.

mailIcon print |