*

 

Met een boekje het park in

door Henk van Halm − 20/04/02, 00:00

recensie Reigers kolderen in de platte kronen van de dennen, waar ze hun nesten hebben. Bladgroene halsbandparkieten schieten krijsend door de boomkruinen. Futen korren en meerkoeten achtervolgen elkaar met veel gespetter in de vijver, die het Beatrixpark scheidt van de flatblokken aan de Beethovenstraat.

Het Beatrixpark is aangelegd in 1938, het jaar van Beatrix' geboorte. Het maakte deel uit van de Grote Werken ter bestrijding van de werkloosheid, waar de hoofdstad ook het Amsterdamse Bos aan te danken heeft. Het Beatrixpark, hondenuitlaatplaats en bomenverzameling in Amsterdam-Zuid. Het stadsdeel waar emeritus hoogleraar dierkunde Jan Lever de bijzondere bomen op straat en in tuin, plantsoen en park 'ontdekte'. Hij schreef erover in 'De Groenbewuste Amsterdammer' van het IVN Amsterdam, in het boek 'Waardevolle bomen in Amsterdam' en in het blad van de Vereniging Vrienden van het Beatrixpark. Een echte ontdekking is het natuurlijk niet, want de uitzonderlijke bomen zijn bewust door de gemeente geplant.

Levers inventarisatie leidde uiteindelijk tot een stevig gebonden beschrijving van een viertal wandelingen door Amsterdam-Zuid, waarin ook het Beatrixpark is opgenomen.

Met dit aardige boekje in de hand betreed ik het park via de ingang aan de Cornelis Dopperkade. Dat was ik al een tijdje van plan, omdat ik had gehoord dat de flora van het Beatrixpark deels een stinzenachtig karakter draagt.

Stinzenplanten

Als bijzondere plantensoorten noemt een publicatie knikkende vogelmelk, armbloemig look, maarts viooltje, oosterse sterhyacint, bergereprijs, groot glaskruid en voorjaarshelmkruid. Dat valt tegen. Ik vind er geen een, wel een groepje sneeuwroem (Scilla siehei), waar niet van is vast te stellen wanneer die er terecht zijn gekomen, en verder een plek met blauwe anemonen, die duidelijk pas zijn geplant.

Ook het uitgebloeide groot hoefblad op de oever van de vijver achter de Beethovenstraat wordt op plaatsen waar het niet van nature voorkomt maar ooit door de mens is gebracht, tot de stinzenplanten gerekend. Niet de draadereprijs, een ontsnappeling uit tuinen, die grote plekken in de gazons aprilhemelsblauw kleurt. Draadereprijs wordt met maaimachines verspreid, want uit elk stengelstukje dat op vochthoudende grond terechtkomt, groeit een plantje. De draadereprijs breidt zich wel zonder opzettelijke hulp van mensen uit op andere plekken dan waar hij oorspronkelijk werd geplant, een van de voorwaarden waaraan stinzenplanten moeten voldoen, maar komt in ons land nog niet lang genoeg voor om als stinzenplant te worden erkend.

Begeleiders

Wel vind ik in het park allerlei inheemse begeleiders van de stinzenflora: robertskruid, klimop, geel nagelkruid, hondsdraf, berenklauw, grote brandnetel en zevenblad. Dat zijn gewone planten op allerlei door mensen beïnvloede plekken. Voeg daar nog de 'onkruiden' bij die nu in elk extensief onderhouden plantsoen bloeien: kleine veldkers, vroegeling, paarse dovenetel, herderstasje, klein kruiskruid en tuinwolfsmelk. Genoeg voor beginnende plantenliefhebbers om bladerend in de flora leuk bezig te zijn.

Ik ga rond met Levers boekje. Lever noemt de bijzondere bomen in het Beatrixpark, dat meer weg heeft van een arboretum (bomenverzameling) dan van een stinzenplantengroeiplaats. Het park telt bijna vijftienhonderd bomen!

Daar zijn opmerkelijk veel naaldbomen bij. Zonder moeite vind ik de jonge mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) uit Californië, midden in een perk aan je rechterhand als je van de Cornelis Dopperkade het park binnenkomt. Aan het slootje er vlakbij staan twee moerascipressen (Taxodium distichum) uit het zuiden van de Verenigde Staten. Lever wijst erop dat van een van de bomen al een door betreding afgesleten kniewortel boven de grond komt, het begin van een ademwortel.

Er staan niet minder dan 52 watercipressen (Metasequoia glyptostroboides) in het park, nu nog niet echt indrukwekkend, maar als ze de tijd krijgen, zal dat in de toekomst veranderen, want ze kunnen veertig meter hoog worden.

De zoveelste aanslag

De tijd, ja, want het groen in Amsterdam is niet veilig. Nu wil het belendende tentoonstellingscomplex de Rai uitbreiden in het Beatrixpark. De zoveelste aanslag die wordt beraamd op het park, gelegen op de Zuidas, Nederlands duurste grond. Om een eind te maken aan alle bedreigingen wil de vriendenvereniging het park tot monument laten verklaren, net als het Vondelpark.

Ook de watercipressen zijn monumenten. Ze werden pas in 1946 in China ontdekt en waren tot dat jaar alleen bekend als fossielen en uitgestorven gewaand.

Neergestreken op een bank uit de schrale wind geniet ik van de zon en de vogelgeluiden. Winterkoningen, roodborsten, een tjiftjaf en een boomkruiper zingen in bomen en struiken, die in blad schieten. Uit een groenende meidoorn klinkt de kwebbel van een zwartkop, steevast eindigend in melodieuze ronde strofen. Zeven merels, twee waterhoentjes en een ekster zoeken naar eetbare zaken in het gazon voor me, waar in de verte een groepje honden dolt. In de vijver achter de bomen roepen de futen weer en hebben meerkoeten nog steeds ruzie om een nestplek, aan het gespetter en hun geïrriteerde kreten te horen. Afgebeten roepen de halsbandparkieten, die pendelen tussen Beatrix- en Vondelpark. Op weg naar het station Zuid kom ik langs de zogenaamde natte vallei, een serie vijvers met ongelijk waterniveau. Aangelegd in 1991 op een braakliggend terrein aan de ringweg A10 ter compensatie van een eerdere uitbreiding van het Rai-complex op parkgrond. In de zomer zijn er vaak bijzondere libellen te zien, zoals de blauwe keizerlibel. De vijvers bieden nog een kale aanblik. De lepelbladeren van de moerashyacint (Pontederia cordata) uit Noord-Amerika komen net boven water.

mailIcon print |