recensie De historici van de Franse Annales-school waren begin vorige eeuw de eersten die beseften dat de geschiedenis in hoge mate een opstelsom is van het leven van alledag. Onder hun invloed werd in de historiografie het primaat van de politieke geschiedenis doorbroken en kwam er, naast de culturele en economische aspecten van het verleden, meer aandacht voor de individueel-sociale kanten ervan.
Het leverde naast 'miniprut' prachtige boeken op, culminerend in baanbrekend werk als Natalie Zemon Davis' 'De terugkeer van Martin Guerre', Le Roy Laduries 'Montaillou' en Carlo Ginzburgs 'De kaas en de wormen'.
Bij dit prominente gezelschap heeft zich thans het Vlaams-Amerikaanse duo Eddy Put en Craig Harline gevoegd met 'Verloren schapen, schurftige herders', een studie over de zestiende- eeuwse Mechelse aartsbisschop Mathias Hovius.
Put, archivaris bij het Belgisch rijksarchief, en Harline, hoogleraar geschiedenis in Utah, hadden aanvankelijk de sociale geschiedenis van de Contrareformatie -Rome's antwoord op de Hervorming- in het zuidelijk deel van de Nederlanden willen bestuderen, met een sterke nadruk op de dagelijkse praktijk van het rooms-katholieke geloofsleven. Maar tijdens hun speurtocht naar de oorspronkelijke bronnen kwamen zij terecht bij het archief van het aartsbisdom Mechelen-Brussel. Daar stuitten ze op dagboeken van Mathias Hovius, tussen 1595 en 1620 aartsbisschop, en spil van de Contra-reformatie in Vlaanderen.
Al snel koos het duo een ander thema door Hovius, in 1542 geboren als Mathijs van Hove, tot onderwerp van studie te maken. Dat gebeurde in 1987. Dertien jaar later was het werk klaar en werd het gepubliceerd als 'A Bishop's Tale'. Nu ligt het vertaald in de Nederlandse en Vlaamse boekhandels.
Conform de beste Annales-traditie gaat het niet om een biografie in de traditionele zin van het woord, maar om een serie van zestien tijdsmomenten, geconcentreerd rond een individu of gebeurtenis, die samen een beeld scheppen van Hovius, als één (belangrijk) element te midden van andere.
Zo ontstond een wetenschappelijk verantwoorde microstorie die leest als een historische roman. Het boek schetst een gedetailleerd, kleurrijk beeld van het dagelijks leven in Vlaanderen aan het eind van de zestiende, begin zeventiende eeuw. De molenaar die vloekend kerkelijke inspecteurs van het erf verjaagt, omdat deze willen dat hij de zondagsrust respecteert. De priester die bij vrouwen 'de duivel uitdrijft' door zijn tong in hun mond te steken. En de verplegende non die het geld van haar stervende patiënt eigenmachtig verdeelt. Ze komen allen tot leven, als op een schilderstuk van Pieter Brueghel de Jongere.
Een minpunt van dit voor de rest prima beschreven stuk kerkgeschiedenis is dat het een beter beeld geeft van Hovius' tijd dan van de man zelf. Hoe zag bijvoorbeeld zijn religieuze leven eruit? En onderhield hij relaties met zijn familie? Dat blijft in het vage.
Wel blijkt uit het boek dat Hovius een echte 'herder' was die zorg droeg voor de hem toevertrouwde 'kudde' en die consciëntieus probeerde om de bij het Concilie van Trente (1545-1563) afgesproken kerkhervormingen door te voeren.
Als kerkelijk leider over een gebied dat bijna vijfhonderd parochies omvatte had Hovius op zich al de handen vol. Dat hij zijn werk moest doen kort na de oorlog tussen Opstandelingen en Spanjaarden, tussen protestanten en katholieken, maakte het veel zwaarder. De Zuidelijke Nederlanden waren ontvolkt, verarmd, verwoest en geestelijk ontregeld. Kerken lagen in puin, kloosters stonden leeg, de gelovigen leden honger, de weinige priesters die er waren bleken vaak van laag allooi. En te midden van dit alles waarde het 'spook' der Reformatie in menige Vlaamse streek nog heimelijk rond.
Tegen die achtergrond moest Hovius, gehandicapt door zijn niet-adellijke afkomst, het vertrouwen in kerk en geloof zien te herstellen en zijn rechten hoog houden tegenover kerkelijke tegenspelers en burgerlijke machthebbers. Hij deed het met verve, listigheid en 'indien noodzakelijk' met harde hand. Pastoors die achter de meiden aanzaten kregen hun congé, kanunniken die de aartsbisschop hinderlijk voor de voeten liepen konden op verbanning rekenen. Ketterse gelovigen draaiden het gevang in (de doodstraf was passé) en Rome werd bij zijn streven naar centralisme de voet dwars gezet. Ook bleek de bisschop er niet vies van een rijk klooster uit te melken, wanneer hij weer eens dringend geld nodig had. Nee, Hovius was geen heilige. Gelukkig maar, anders had zijn leven niet zo'n leuk en spannend boek opgeleverd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.