recensie Michel Faber maakte in 1999 met zijn huiveringwekkende debuut 'Onderhuids' veel indruk. Deze roman, over de verwerkingsindustrie van menselijk vlees, hield het midden tussen horror, sciencefiction en psychologische thriller. In de twee novellen 'Honderdnegenennegentig treden' en 'Het Courage Ensemble' doet Faber het iets rustiger aan, maar ook hier echoën op de achtergrond elementen uit de negentiende-eeuwse gothic novel mee: dreigende waanzin, verminking, zelfmoordneigingen, nachtmerries, bloedstollende kreten in de nacht.
De hoofdpersoon in 'Honderdnegenennegentig treden' is de vierendertigjarige Siân. Ze heeft onlangs in Bosnië, in gezelschap van een oorlogsfotograaf, fysieke en emotionele averij opgelopen, en probeert die nu achter zich te laten door hard te werken. Ze graaft in het kader van haar studie archeologie mee naar een zestigtal skeletten in de kloosterruïnes van Whitby. De abdij werd in de 7de eeuw gesticht door de later heilig verklaarde Hilda, en Siân probeert een voorbeeld te nemen aan Hilda, die ernaar streefde 'volmaakt te worden in zwakheid'. Intussen wordt ze elke nacht geplaagd door een afschuwelijke droom waarin een man met handen als kolenschoppen haar onthalst.
Op de treden van de lange trap naar de abdij komt ze elke ochtend een oogverblindend knappe man tegen, vergezeld van een al even ravissante hond, die daar zijn fitness-rondjes rent. Ze is geflatteerd door hun beider aandacht, en zoekt nader contact. Inspelend op haar archeologische belangstelling toont Mack, de man, haar een paar dagen later een achttiende-eeuwse fles met daarin een manuscript, hem door zijn vader nagelaten. Hij staat haar toe de fles open te snijden, het manuscript te prepareren, en het handschrift in een aantal opeenvolgende avonden te ontcijferen. Het lijkt te gaan om een bekentenis van een moord door een zekere Thomas Peirson op zijn dochter, neergeschreven op zijn sterfbed.
Naarmate de dagen vorderen, springt een aantal verontrustende parallellen in het oog tussen Siâns dagelijkse beslommeringen, haar dromen, en het manuscript dat ze tracht te ontrafelen. Faber caramboleert fraai tussen de verschillende manieren waarop Siân letterlijk en figuurlijk graaft naar lijken en traumatische ervaringen, waarbij hij subtiel de suggestie doet dat zij in het manuscript van Peirson dingen leest die daar niet noodzakelijkerwijze staan. Uiteindelijk functioneren haar zoektochten naar het verleden op meerdere niveaus als uitdrijvingen van het kwaad.
'Het Courage Ensemble' speelt zich in een geheel andere context af, maar ook hier is sprake van een soort verlossing. Het muzikale kwintet van Roger Courage, 'men zou kunnen zeggen ... het op zeven na meest befaamde serieuze vocaal ensemble ter wereld', heeft een buitenkansje: het mag zich in een kasteeltje in het Belgische Martinekerke gaan voorbereiden op een uitvoering van Pino Fugazza's experimentele 'Partitum Mutante'. We beleven het verblijf aldaar mee met een van de leden, Rogers echtgenote Catherine, die na een mislukte zelfmoordpoging met behulp van antidepressiva weer zin probeert te krijgen in het leven. Er sluimeren de nodige spanningen tussen de leden, en Catherine wordt 's nachts uit haar slaap gehouden door onverklaarbare kreten, die geen van de anderen hoort. Faber zet de personages in een paar ferme streken knap neer, en breekt de spanning met humoristische beschrijvingen van een bezoekje van de fatteuze Fugazza, en van de Belgische videokunstenaar Wim Waefels die de visuele omlijsting van hun optreden komt toelichten (,,De oddiëns is híer, joe aar on de steetsj, de laaits ko out en hoppa: bleknis!'). De crisis die in de lucht hangt, doet zich inderdaad voor, maar is van een andere orde dan verwacht.
De twee novellen zijn natuurlijk minder ambitieus dan Fabers roman, maar de Australische schrijver-met-Nederlandse-wortels bewijst opnieuw zijn kwaliteiten. Ook op de korte baan weet hij een wereld op te roepen, intrigerende personages neer te zetten, en een gelaagd verhaal te vertellen. Fabers precieze, mild-ironische stijl is een kolfje naar de hand van vertalersduo Damsma en Miedema, dat bovendien uitstekend raad weet met het afwijkende Engels van Peirson, Fugazza, en Waefels. De flaptekst maakt melding van het feit dat Faber bezig is met een dikke historische roman. Deze twee novellen doen daar in elk geval verwachtingsvol naar uitzien.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.