*

 

Een lichtende kring om het duister

JAAP GOEDEGEBUURE − 23/02/02, 00:00

recensie Alle kunst die iets te betekenen heeft, reikt verder dan de werkelijkheid en wortelt in een bewustzijnslaag waar feiten uitdijen tot mythen. Dante zag zijn Beatrice maar een paar keer van aangezicht tot aangezicht, maar die even spaarzame als vluchtige ontmoetingen boden hem voldoende aanleiding haar een ereplaats in de hemel toe te schrijven. Geen zinnig mens zal vanwege de discrepantie tussen realiteit en verbeelding willen beweren dat de Divina Commedia het opgeblazen verhaal van een kalverliefde is.

Toch is er vandaag de dag sprake van een zekere neiging af te dingen op de waarde van creatief werkzame mythen. Wat waar is in de kunst moet ook waar zijn in het leven, luidt het oordeel. En hoe sterker het kunstenaarschap wordt geannexeerd door de openbaarheid, des te strenger de controle op wat men als waarachtigheid ziet. Joseph Beuys gold voor veel bewonderaars als een authentieke persoonlijkheid, tot de journalistiek niet zo lang geleden onthulde dat een door hem als beslissend aangemerkte ervaring (hij zou tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn vliegtuig zijn neergestort achter het Oostfront en door Tataren in leven zijn gehouden met de naderhand frequent in zijn kunst opduikende materialen vet en vilt) uit het rijk der fabelen stamde. Dat mag zo zijn, maar aan de zeggingskracht van Beuys' kunst doet deze demystificatie hoegenaamd niets af.

De vraag naar de authenticiteit van de mythe en de mate waarin zo'n mythe een kunstenaarschap kan en mag schragen, bepaalt de inhoud van Lawrence Norfolks roman 'In de gedaante van een beer'. Hoofdpersoon Sol Memel is in 1943 gevlucht uit Roemenië, omdat hij vanwege zijn joodse afkomst deportatie en dood te vrezen had. Een vriendin die met de Duitsers collaboreert, heeft hem op weg geholpen naar Griekenland. Daar komt zijn lot te liggen in de handen van verzetsstrijders, die hem om onnaspeurbare redenen bij zich houden en hem zelfs proberen te redden uit de greep van zijn vervolgers. Na de oorlog verwerkt hij zijn ervaringen in het verhalende gedicht 'Die Keilerjagd', door hem geënt op een oude Griekse mythe over de jacht op een reusachtig mannetjeszwijn dat de beledigde godin Artemis met dood en verderf komt wreken. Het monster staat nu eens symbool voor de nazi terreur en is dan weer een schijngestalte van de SS-officier Eberhard. In de figuren van de jagers hebben het partisanenmeisje Thyella, haar minnaar Xanthos en Sol Memel, hun mythische gedaanteverwisseling ondergaan.

Bij deze ene metamorfose blijft het niet. De driehoek van twee mannen en een vrouw bepaalt het gemeenschappelijk patroon in de waaier van verhalen die Norfolk openvouwt. Op het niveau van de verzonnen werkelijkheid anno 1940-1945 zijn er de complexe relaties tussen Ruth, Jakob en Sol. De twee jonge mannen zijn tegelijk vriend en vijand, maar al te zeer geneigd elkaar intellectueel op te jagen en af te troeven. Ook in de liefde voor Ruth wedijveren ze om het hardst. Zij lijkt nu eens voor de een en dan weer voor de ander te kiezen, gebruikt haar relaties met de Duitsers om beiden een vluchtmogelijkheid te bieden, maar houdt na de oorlog alleen nog contact met Sol. Jakob, van wie men aannam dat hij de jodenvervolging niet had overleefd, duikt op in Israël en onderneemt van daaruit een subtiele actie die tot doel heeft de authenticiteit van Sols gedicht te ondergraven. Op eigen houtje stelt hij een bijzondere editie van 'Die Keilerjagd' samen, traceert daarin de mythologische bronnen en plaatst er even geleerde als kritische voetnoten bij. De affaire komt in de publiciteit, leidt tot discussies over feit versus fictie in Sols literair getransformeerde belevenissen, en draagt op die manier niet alleen bij tot zijn blijvende roem als dichter maar ook tot de suggestie van moedwillige verdraaiing die hem een leven lang als een stigma aan zal kleven.

Norfolk zelf heeft erop gewezen hoe hij zich bij het construeren van de intrige heeft laten leiden door de biografie van de dichter Paul Celan, net als Sol Memel een Roemeense jood die de shoah wist te overleven, zijn lotgevallen omvormde tot poëzie en in opspraak kwam omdat de echtheid daarvan werd betwijfeld. In Celans geval betrof het een beschuldiging van Claire Goll, die beweerde dat Celan het werk van haar overleden man Yvan had geplagieerd. Recent biografisch onderzoek heeft nog eens uit de doeken gedaan dat die (onterechte) aantijging heel wel gemotiveerd kan zijn door minnenijd.

Celans (in zelfmoord eindigende) levensloop spiegelt zich in grote trekken in die van Sol Memel, maar de verschillen laten zien hoezeer Norfolk met de verschillende verhaalelementen schuift. De beschuldiging van kwade trouw komt niet van Ruth maar van Jakob, en van de hoofdpersonen is Jakob ook degene die een einde aan zijn leven maakt.

Waar Norfolk Celans geschiedenis in de roman impliciet heeft gelaten, is de mythe van de jacht op het everzwijn door hem breed uitgeschreven, niet door Sol Memels gedicht te reproduceren, maar via een parafrase in proza. Wel zijn Jakobs voetnoten daaraan toegevoegd. Na deze lange proloog vervolgt het verhaal in het Parijs van ruim dertig jaar geleden. Sol, op dat moment even oud als Celan aan de vooravond van zijn dood, verkeert enige dagen in het gezelschap van zijn oude vriendin Ruth, die uit haar tweede vaderland Amerika is overgekomen om 'Die Keilerjagd' te verfilmen. In dat hier en nu klitten alle mythen en verhalen uit en over hete verre en recente verleden samen tot een onontwarbaar kluwen.

De complexiteit van Norfolks verhalende manoeuvres gaat beduidend veel verder dan het niveau waarop het speelse vervlechten van teksten zich doorgaans beweegt. 'In de gedaante van een beer' heeft niets van de vrijblijvendheid die veel eigentijdse romans karakteriseert. Juist in dit opzicht is Celans poëzie maatgevend. De al te dicht op de huid komende verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog werden door deze dichter niet bezworen, maar alleen omcirkeld met beelden die de onzegbaarheid van dit even afstotende als fascinerende, niet te duiden raadsel intact lieten. Norfolk ontleent zijn beelden aan een mythe over het razende geweld in de menselijke en dierlijke natuur, maar is uiteindelijk net zo min als Celan in staat het verlossende woord te formuleren waarmee de vraag naar het hoe en waarom van de verschrikking te beantwoorden valt. Zoals alle grote verhalen is de mythe hier niet meer dan een lichtende kring om het donker, die wat duister is nog meer verduistert maar het tegelijk ook bijna tastbaar maakt.

mailIcon print |